Van Amsterdam naar het Gooi: de omzwervingen van een gebatikte kamer

18/08/2016 door Inge Rook

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Huidarts Willem van Hoorn kocht in 1895 een gebatikt kamerscherm bij kunsthandel Van Wisselingh & Co in Amsterdam. Het was ontworpen door G.W. Dijsselhof (1866- 1924) voor zijn woning aan de Nieuwezijds Voorburgwal 344. Van Hoorn was net verhuisd en was liefhebber van oosterse kunst en groot bewonderaar van de kunstenaar Dijsselhof. Hij verzocht hem voor zijn nieuwe huis een heel ‘Dijsselhof-vertrek’ te maken. Het uiteindelijk resultaat was een Gesamtkunstwerk; een vertrek van 5,5 x 5,5 meter met gebatikte wandbespanning, houten panelen, een gestuukt plafond en door Dijsselhof ontworpen meubels.

 

Dijsselhof had via zijn vriend C.A. Lion Cachet (1864-1945) kennis gemaakt met de batiktechniek. Een gebatikte stof wordt vervaardigd door op textiel in warme was een ontwerp aan te brengen en vervolgens de doek in koude verfbaden onder te dompelen zodat de kleur daar achterblijft waar geen was is aangebracht. Lion Cachet was na een bezoek aan het Etnografisch museum in Amsterdam zo onder de indruk geraakt van de collectie gebatikte sarongs en slendangs, dat hij aan het experimenteren sloeg met batikken. Gebatikte doeken werden (en worden) als kledingstuk gebruikt, maar Lion Cachet en Dijsselhof wilden gebatikte stof gaan verwerken in het interieur. Lion Cachet kreeg echter genoeg van het toepassen van de bewerkelijke batiktechniek op grote lappen katoen en hij ging batikken op perkament. Dit gebatikte perkament verwerkte hij onder andere in meubels en op plafonds.

 

Dijsselhof ging verder met het batikken op stof en zijn kamer- en haardschermen waren erg gewild. In 1895 begon hij aan de grote interieuropdracht voor Van Hoorn; hij liet zich hierbij inspireren door de natuur. Op de gebatikte wandbespanningen zijn flamingo’s, pelikanen, maraboes, vissen en herten te zien. De betimmering van essenhout decoreerde hij met maisplanten en diverse bloemen. Met de door hemzelf ontworpen meubels werd het een harmonisch geheel dat in niets leek op de zwaar gestoffeerde en met meubels volgestouwde kamers die in deze tijd gebruikelijk waren.

 

Van Hoorn verhuisde in 1900 naar Thorbeckeplein 5 in Amsterdam en de ‘Dijsselhofkamer’ – met uitzondering van het plafond – verhuisde met hem mee. Na het onverwachte overlijden van Van Hoorn in 1901 vestigde de huidarts P. Verhagen zich in de woning aan het Thorbeckeplein. Op verzoek van Verhagen voegde van Dijsselhof een nis met zitje, een baldakijnstoel en een vitrinekast aan het vertrek toe. Ook Verhagen bleek erg gesteld op zijn ‘Dijsselhofkamer’. De kamer verhuisde opnieuw mee, ditmaal naar Hollandsche Rading in het Gooi. Dijsselhof werd – net als bij de eerste verhuizing van de ‘kamer’ – betrokken bij het passend maken van het geheel aan een nieuwe ruimte. Ook internationaal werd dit werk van Dijsselhof gewaardeerd. Zo wonnen twee van de gebatikte panelen uit de ‘Dijsselhofkamer’, die in 1925 te zien waren op de Wereldtentoonstelling in Parijs, een Grand Prix.

 

Dijsselhof en Lion Cachet hoorden weliswaar bij de eersten in Nederland, die zich bezighielden met batikwerk, maar zij waren zeker niet de enige kunstenaars die enthousiast waren over de mogelijkheden van de ‘nieuwe’ techniek. Onder andere boekbanden, gordijnen en meubels werden gedecoreerd met batik. Architecten als Karel de Bazel en Chris Wegerif en ontwerpers als Chris Lebeau werkten graag met batiks. Agathe Wegerif (1867-1944), de vrouw van de architect Wegerif (1859-1902) kan in dit verband niet ongenoemd blijven. Zij experimenteerde met het batikken op soepel fluweel en trijp dat verwerkt werd tot interieurtextiel en meubelbekleding. Zij richtte als eerste in Nederland een professioneel batikatelier (met circa 30 werkneemsters) op, waar zowel ontwerpen van haar man als van andere kunstenaars werden uitgevoerd. Agathe Wegerif won diverse internationale prijzen voor haar vernieuwende batikkunst.

 

Na het overlijden van Verhagen in 1930 schonk zijn vrouw de gehele ‘Dijsselhofkamer’ aan het Gemeentemuseum in Den Haag, waar deze nog steeds te bewonderen is. Bij de ingang van de kamer is te lezen dat deze gezien wordt als ‘een fraai voorbeeld van de zogenoemde nieuwe kunst, de Nederlandse bijdrage aan art nouveau’. Helaas zijn de gebatikte panelen inmiddels, net als veel andere van Dijsselhofs batiks, behoorlijk verbleekt.

 

Bronnen:
Yvonne Brentjens, Dwalen door het Paradijs. Leven en werk van G.W. Dijsselhof, Zwolle 2002.
Andréa A. Kroon/Audrey Wagtberg Hansen, Sporen van Smaragd: Indisch erfgoed in Den Haag 1853-1945, Den Haag 2013.
Titus M. Eliens, ‘Nieuwe Kunst: Nederlandse kunstnijverheid in de periode 1880-1910’ in: T.M. Eliens (red.), Kunstnijverheid in Nederland 1880-1940, Bussum 1997.
Marjan Groot, Vrouwen in de vormgeving in Nederland 1880-1940, Rotterdam 2007.

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Archief

Jaarlijks archief

Blijf op de hoogte via e-mail

Vul uw e-mailadres in om bericht te krijgen bij nieuwe blog- en nieuwsberichten op deze website.

Dijsselhofkamer Thorbeckeplein, 1906-1916 (collectie Gemeentemuseum Den Haag).

Dijsselhofkamer met later toegevoegde nis met  zitje, baldakijnstoel en halfronde vitrinekast(collectie Gemeentemuseum Den Haag).

C.A. Lion Cachet, armstoel bekleed met gebatikt perkament, ca. 1900 (collectie Rijksmuseum Amsterdam).

C. Wegerif, bank met bekleding van gebatikte trijp, 1901 (collectie Gemeentemuseum Den Haag).

J.J.C. Lebeau, boekband De Stille Kracht van Louis Couperus uitgevoerd in batiktechniek, 1900 (collectie Museum Meermanno | Huis van het boek, Den Haag).

K.P.C. de Bazel, Muziekkast met gebatikt gordijntje, 1914 (collectie Stedelijk Museum Amsterdam, met dank aan het Stedelijk Museum voor het ter beschikking stellen van de foto).