Zeldzame rupsen en smakelijke vinken: het leven op de buitenplaatsen in Zuid-Kennemerland

02/12/2016 door Inge Rook

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Al in de 17de en 18de eeuw bezaten rijke Amsterdammers buitenplaatsen in Zuid-Kennemerland. Buitenplaatsen zijn in de regel monumentale gebouwen die samen met bijgebouw(en), tuin- en parkaanleg een eenheid vormen en in eerste instantie vooral in de zomermaanden werden gebruikt. Toen in de 19de eeuw grond vrijkwam door het verdwijnen van de blekerijen werd het mogelijk in deze streek nieuwe buitenplaatsen te stichten. Een woning met allure in Amsterdam én het bezit van een buitenplaats hoorde in de 19de eeuw bij de levensstijl van rijke stedelingen. In Amsterdam werd nog wel eens verhuisd, maar deze buitenplaatsen probeerde men zo lang mogelijk in de familie te houden. Het leven van deze rijke Amsterdammers draaide om de seizoenen. ‘s-Winters woonden zij in hun huizen op de Heren- en Keizersgracht en ‘s-zomers ontmoetten zij elkaar weer op de buitenplaatsen. Hele families, inclusief dienstmeisjes, gouvernantes en ander personeel, vertrokken vanaf april per trekschuit en diligence naar hun buitenverblijven om daar vaak tot in november te verblijven.

 

Maar waar hield de elite zich tijdens hun verblijf op de buitenplaatsen mee bezig? Naast allerlei familieleden werden er veel gasten ontvangen, waarmee men eigenlijk veelal hetzelfde ondernam als in de winter in Amsterdam: kaarten, biljarten, feesten en bals bezoeken dan wel organiseren, huwelijken arrangeren etc. Maar er werd ook genoten van het buitenleven en allerlei activiteiten in de open lucht. In de uitgestrekte duingebieden werd paardgereden, gewandeld en gejaagd onder andere op konijnen, hazen en gevogelte. Een populair vermaak was het uit de middeleeuwen stammende gebruik om vinken te vangen op een speciaal hiervoor aangelegde vinkenbaan. In het najaar werden de naar het zuiden trekkende vinken naar de vinkenbaan gelokt met behulp van, soms blind gemaakte, vinken in kooitjes of aan tuigjes. De sport was om – na urenlang turen door de gluurgaten van het vinkenhuis – op het juiste moment aan het vinkentouw te trekken zodat de opgehangen netten dichtklapten en de vogels gevangen zaten. Per seizoen werden duizenden vogels gevangen die door de vangers werden opgegeten of bezorgd bij vrienden.

 

Ook waren er grootgrondbezitters, die zelf bloemen-en moestuinen onderhielden of zich verdiepten in de landbouw. Anderen bestudeerden de natuur en verwierven hierover soms een  encyclopedische kennis. Zo ontdekte de schrijver en rijksadvocaat Jacob Van Lennep (1802-1868), die als kind de zomers had doorbracht op het in Heemstede gelegen familiebezit Manpad, een in ons land nog onbekende rups.

 

De elite had echter niet alleen oog voor het eigen vermaak en belang. In 1824 werd een commissie opgericht met als doel door de duinen een straatweg aan te leggen om het arme vissersdorpje Zandvoort uit haar isolement te halen. Schelpen en vis zouden zo makkelijker afgevoerd kunnen worden en er kon gestart worden met de ontginning van de duinen voor de landbouw (waar de grondbezitters dan wel weer  een eigen belang bij hadden). Verder was het idee om van Zandvoort een badplaats te maken met een badhuis, stallen en badkoetsen. In 1828 was de bestrating van de Zandvoorterweg een feit en kon het Groote Badhuis in gebruik worden genomen. Zandvoort ontwikkelde zich hierdoor al snel tot een toeristische bestemming. In 1844 werd er ook een paardenrenbaan met een tribune en een wedkantoor geopend, waarvoor de belangstelling korte tijd zo groot was, dat er files van koetsen ontstonden op de Zandvoorterweg. In 1853 werd de renbaan echter bij gebrek aan belangstelling weer gesloten.

 

Aan het eind van de 19de eeuw kwam er een eind aan het seizoensleven van de rijke Amsterdammers. De belangrijkste reden hiervoor was dat het financieel voor velen niet haalbaar meer was om zowel een groot stadspand als een buitenplaats te onderhouden. Landgoederen werden verkaveld, villaparken werden aangelegd en de mensen die permanent in Zuid-Kennemerland neer streken konden door de verbetering van de spoorverbindingen naar hun werk gaan forenzen.

 

Literatuur:

Karin Evers, Manpad en Woestduin. Waarlijk, men is hier in Arcadie. Ontspanning en literair vermaak op Manpad en Woestduin (1750-1850), Haarlem 1987.

Rob van der Laarse en Yme Kuiper red., Beelden van de Buitenplaats. Elitevorming en notabelencultuur in Nederland in de negentiende eeuw, Hilversum 2005.

Gert Baeyens en Joop Mourik, Lezen in het duin. Nagenieten van de Gouden eeuw, Zeist 2012.

Mr. C.W.D. Vrijland e.a., Geschiedenis van Bloemendaal en Aerdenhout (Duinlustpark, Bloemendaal-dorp, Overveen, Bentveld en Vogelenzang), Haarlem 1975.

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Archief

Jaarlijks archief

Blijf op de hoogte via e-mail

Vul uw e-mailadres in om bericht te krijgen bij nieuwe blog- en nieuwsberichten op deze website.

Jan Weissenbruch (naar Jan Weenix), Jachtstilleven met een haas en gevogelte in een landschap, 1832-1882, Rijksmuseum Amsterdam.

Philips Galle (naar Hans Bol), Vinkenjacht, 1582, Rijksmuseum Amsterdam.

Portret van Jacob van Lennep, Litho door Adrianus Johannes Ehnle (1819-1863) (Noord-Hollands Archief, collectie Voorhelm Schneevoogt, NL-HlmNHA_53007852).

“Het Zeebad. Huis te Zandvoort”  Badhuis, zuidoostzijde, uitgever Huygens, E. (Noord-Hollands Archief, Kennemerland, NL-HlmNHA_53003772).

Een dagje naar het strand in Zandvoort (website zandvoortvroeger.nl).

Wedren op het strand, 6 september 1844, Last, Carel Christiaan Antony (1808-1876) (Noord-Hollands Archief, Kennemerland, NL-HlmNHA_53003777_K).