Trijpweefsels van de Amsterdamse School

27/03/2017 door Barbara Laan

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Op zaterdag 25 maart werd de prachtige tentoonstelling ‘Ornamentale Patronen | Trijpweefsels van de Amsterdamse School’ geopend in het Textielmuseum in Tilburg! De auteurs van de bijbehorende catalogus, Emma Järvenpää en Caroline Boot, schreven voor ons dit blog.

 


 

Fluwelige en rijkgekleurde ‘trijpkleden’ zie je tegenwoordig niet veel meer in het interieur. In de jaren 1920 en 1930 waren deze kleden echter zeer populair. Zij werden gebruikt op tafels, achter kapstokken of op schoorsteenmantels. Ook zijn trijpstoffen toegepast als wandspanning en meubelbekleding. Trijp is de benaming voor een Nederlands poolweefsel dat vanaf de 17de eeuw in ons land werd geproduceerd, en vooral werd gebruikt als meubelstof.

Aan de populariteit van trijp droegen onder meer drie Nederlandse weverijen bij. Zij fristen tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw hun productie op met nieuwe, moderne dessins in de stijl van de art nouveau en Amsterdamse School. Dit waren de Hengelosche Trijpweverij en de Eindhovense fabrieken Schellens & Marto en Léo Schellens & Co. Zij produceerden trijp, ook bekend als velours d’Utrecht. Trijp is een poolweefsel, net zoals fluweel en pluche. Het wordt vervaardigd van katoen en mohair. Met name het mohair, gemaakt van het haar van de angorageit, geeft trijp een zijdeachtige glans en daarmee een luxe uitstraling. Het ambacht van het trijp weven werd in de 17de eeuw vanuit de Zuidelijke Nederlanden in de Noordelijke Nederlanden geïntroduceerd. Aan het eind van de 19de eeuw werd de stof vooral geweven door Schellens & Marto, gesticht in 1887. Enige tijd hierna volgden de Hengelosche Trijpweverij (in 1901) en Léo Schellens (in 1902).

In circa 1907-1908 bracht de Hengelosche Trijpweverij als eerste artistieke trijpdessins uit in de stijl van de art nouveau. De fabriek werd vooral bekend door haar samenwerking met sierkunstenaar Theo Nieuwenhuis. Hij ontwierp talloze sierlijke bloempatronen voor trijpstoffen. Omstreeks 1920 gingen Schellens & Marto en Léo Schellens & Co. samenwerken met kunstenaars. Expressieve dessins in de stijl van de Amsterdamse School,van sierkunstenaars als C.A. Lion Cachet, Chris Lebeau en Jaap Gidding, kwamen op de markt.

De artistieke trijpdessins werden positief ontvangen in de Nederlandse kunstenaarskringen. Allang bestond er onvrede over de eeuwenoude, historische dessins, die grotendeels waren gebaseerd op Franse Lodewijkstijlen en steeds maar weer werden gereproduceerd. In de omringende landen Frankrijk, Engeland en Duitsland waren eigentijdse textieldessins al langer beschikbaar. Hun moderne stoffen beconcurreerden in het begin van de 20ste eeuw de Nederlandse stoffenproductie zelfs zozeer, dat onder andere Schellens & Marto zijn stoffen verkocht als ‘Franse fabricaat’ met Franstalige etiketten. Deze situatie ontlokte ontwerper Willem Retera de volgende opmerking:  ‘Zoo’n echt Engelsch of echt Fransch etiket maakt de zaak toch veel smakelijker! Het publiek is eenmaal dom en wil bedrogen worden’.

De modernisering van trijpdessins met eigentijdse dessins viel samen met de opkomst van de stijl van de  Amsterdamse School. In 1912-1916 werd het Scheepvaarthuis in Amsterdam gebouwd, onder supervisie van Joan Melchior van der Meij, samen met Michel de Klerk en Piet Kramer. Tegenwoordig wordt dit gebouw als de bakermat van deze stijl gezien. Typerend zijn de plastische, expressionistische vormentaal, het rijke kleurenpalet en de toepassing van uiteenlopende luxe en soms exotische materialen. De kunstenaars, die ontwerpen maakten voor trijpdessins in de periode van 1917-1925, waren duidelijk beïnvloed door de Amsterdamse School vormgeving. De kleden met hun grillige patronen, hun rijkdom aan kleuren, onder andere diepblauw, paars, oranjerood en groen, pasten goed in de interieurs van de Amsterdamse School.

De Amsterdamse School interieurs staan vaak bekend om hun luxueuze uitstraling. Een dergelijke inrichting was niet betaalbaar voor de middenklasse. Trijp was niet goedkoop. Mohair, de basisgrondstof van trijp, was en is nog steeds een zeer exclusief en duur materiaal. Toch kwamen trijpkleden ook bij een breder publiek terecht. De Bijenkorf in Amsterdam verkocht en exposeerde artistieke trijpdessins, terwijl Vroom & Dreesmann commerciële vertalingen ervan op de markt bracht. De grootste afnemers waren de vervoersmaatschappijen, overheid, horeca en andere instellingen met een openbare of representatieve functie, zoals blijkt uit het jubileumboek van Schellens & Marto:

 

‘Waar zag men het [trijp] al niet! Hoevele officiële gebouwen onderscheiden zich door het waardige decorum van het trijp, en hoeveel spoorwegondernemingen van verschillende landen eisten een extra prijs, wanneer men comfortabel eerste of tweede klas zijn rug tegen de zachte stof van Schellens & Marto’s trijpfabrieken wou doen leunen, en hoeveel schepen brachten een warme sfeer van huiselijkheid in hun kajuiten, weer door het trijp! Hoeveel theaters dachten “in trijp” aan hun toekomstige beste clientèle. Een grootste eer en lof: toen ook in Koninklijke paleizen van ons vorstenhuis hetzelfde trijp het aristocratische karakter der zalen en vertrekken scherper accentueerde.’

 

In de jaren 1930 kreeg een meer zakelijke vormgeving in Nederland de overhand. Deze tendens werd ook zichtbaar in de vormgeving van trijpen. Blokken en strepen gingen het beeld bepalen. Hierna nam de populariteit van trijpstoffen langzaam af. In de jaren 1980 hebben de meeste trijpfabrieken hun deuren gesloten. Gelukkig is een deel van hun prachtige erfgoed bewaard gebleven. Van 25 maart 2017 t/m 4 maart 2018 wordt in het TextielMuseum in Tilburg de tentoonstelling ‘Ornamentale Patronen I Trijpweefsels van de Amsterdamse School’ gepresenteerd. De expositie laat een breed beeld zien van de verscheidenheid aan Amsterdamse School trijpkleden, gordijnstoffen, wandbespanningen en meubelbekleding en laat trijp herleven.

 

www.textielmuseum.nl

 

Keuze uit de literatuur

Emma Järvenpää en Caroline Boot, Ornamentale Patronen I Trijpweefsels van de Amsterdamse School, Tilburg 2017 (uitgave TextielMuseum).  

Ingeborg de Roode en Marjan Groot, Amsterdamse School Textiel 1915-1930, Tilburg 1999 (uitgave TextielMuseum). 

Ingeborg de Roode en Marjan Groot, Wonen in de Amsterdamse School; ontwerpen voor het interieur 1910-1930, Amsterdam 2016.

Willem Retera, Behangsel en bespanningsstoffen, Rotterdam 1924 (uit de serie De toegepaste kunsten in Nederland).

60 jaar trijpindustrie in Nederland 1887-1947, Eindhoven 1947, pp. 40-41.

 

 

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Archief

Jaarlijks archief

Blijf op de hoogte via e-mail

Vul uw e-mailadres in om bericht te krijgen bij nieuwe blog- en nieuwsberichten op deze website.

De scheerderij-perserij van Schellens & Marto, 1947, collectie TextielMuseum.

Chris Lebeau (toegeschreven), gordijnstof Paardebloem, ca. 1920, handbedrukte trijp, vervaardigd door Léo Schellens & Co., collectie TextielMuseum (foto: Tommy de Lange i.o.v. het TextielMuseum).

Fauteuil met bekleding naar ontwerp van Jaap Gidding, ca. 1920-1925, handbedrukte trijp, vervaardigd door Léo Schellens & Co., collectie TextielMuseum (foto: Tommy de Lange i.o.v. het TextielMuseum).

Willem Retera, tafelkleed, ca. 1929, handbedrukte trijp, vervaardigd door Léo Schellens & Co., collectie TextielMuseum (foto: Tommy de Lange i.o.v. het TextielMuseum).

J. Hellendoorn, interieur met twee armstoelen bekleed met trijp naar zijn ontwerp (?), ca. 1920-1930, foto 1930 (collectie Het Nieuwe Instituut, Rotterdam).

Ovaal tafelkleed, ca. 1915-1935, handbedrukte trijp, ontwerper/vervaardiger onbekend, collectie TextielMuseum (foto: Tommy de Lange i.o.v. het TextielMuseum).