Het Staetshuys

30/07/2016 door Esther de Haan en Martijn de Jong

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Geldaristocratie in de Gouden Bocht

 

Het Staetshuys

Het schilderij Gezicht op de Gouden bocht in de Herengracht (1671-1672) van Gerrit Adriaensz. Berkheyde (1638-1698) toont op de plaats van het Staetshuys de nog onbebouwde kavels 17 en 18, thans Herengracht 460. Deze kavels gingen door verschillende handen, voordat ze uiteindelijk in 1675 voor ruim tienduizend gulden gekocht werden door de katholieke koopman en makelaar Hendrick Staets (1632-1687). In de jaren 1682-1685 liet hij op de kavels een dubbel woonhuis bouwen in de strakke variant van het Hollands classicisme. De voorgevel werd voorzien van hoeklisenen, een middenrisaliet en een kroonlijst met eenvoudige attiek. De middenrisaliet was vermoedelijk voorzien van deur- en vensteromlijstingen met guirlandes. In 1754 werd het huis gekocht door de commissaris van de Wisselbank, mr. Petrus Schaack (1704-1774). Hij liet enkele interieurs wijzigen evenals de voorgevel. De guirlandes zouden bij deze verbouwing zijn verwijderd en de ingangspartij vernieuwd. Daarnaast werd de stoep vernieuwd in de heersende Lodewijk XV stijl.(1)

 

In 1803 werd het huis grondig verbouwd door Isaac Hodson (1772-1855) en zijn vrouw Isabelle Dedel (1778-1865), bekend van het Hodson-Dedelhofje aan de Eerste Weteringdwarsstraat. Zij lieten het huis aanpassen aan de Franse mode van die tijd. De fa§ade in empirestijl, met rechte kroonlijst, attiek met siervazen, Ionische en Corintische pilasters, getuigt daar van. Hodson liet het huis bovendien uitbreiden met een achteruitbouw. Na het overlijden van Isaac Hodson (1772-1855) werd het huis nog zo’n tien jaar bewoond door zijn weduwe Isabelle, tot ook zij overleed in 1865. Vervolgens werd het huis in 1866 in de openbare verkoop gebracht.

 

Het Staetshuys is tot 1934 bewoond geweest door vooraanstaande Amsterdamse ingezetenen, waaronder kooplieden, patriciërs, burgemeesters en bankiers, bijvoorbeeld in het laatste deel van de 19de eeuw door leden van de fabrikantenfamilie Van der Vliet en de bankiersfamilies Borski en Luden. Van 1866 tot 1899 waren deze drie families woonachtig op Herengracht 460. David van der Vliet (1822-1889), die in 1851 was getrouwd met Anna Johanna Jacoba Borski (1828-1912) kocht het huis bij de openbare verkoop voor zeventigduizend gulden en nam er in 1867 met zijn vrouw zijn intrek. Na zijn dood in 1889 ging het huis in 1890 bij een boedelscheiding over op zijn dochter Mathilde W.J.J. van der Vliet (1857-1942). In 1882 was zij getrouwd met Johannes Luden (1857-1941), onder andere president-commissaris van de Nederlandse bank. Op het moment van Davids overlijden, woonden hij en zijn vrouw al niet meer aan de Herengracht. Uit het bevolkingsregister blijkt dat zij in 1884 waren verhuisd naar Bloemendaal. Klaarblijkelijk was dat geen reden voor hen om afstand te doen van het huis aan de Herengracht. Wat er precies met het huis is gebeurd tussen 1884 en 1890 is aan de hand van de bronnen niet vast te stellen. Mogelijk werd het incidenteel nog door David en Anna gebruikt of werd het sinds 1884 al bewoond door hun dochter Mathilde en schoonzoon Johannes, voordat zij het in 1890 in bezit kregen.

 

In 1899 werd  het pand door David Van der Vliet verkocht aan Cornelia Eliza van Leeuwen, een dochter van de schatrijke Wilhelmus Hendrik van Leeuwen en in 1888 getrouwd met dr. Christiaan Bernard Tilanus (1856-1942). Tilanus was arts en docent orthopedische chirurgie aan de Amsterdamse universiteit. Na de dood van Cornelia werd hij eigenaar van het huis. In 1934 verkocht hij vervolgens het huis voor zestigduizend gulden aan de N.V. Bankierskantoor M. van Embden, die zijn kantoor in het pand vestigde. Van Embden liet centrale verwarming aanleggen en het souterrain ombouwen tot kantoorruimte. In 1944 werd het huis in liquidatie door de N.V. verkocht aan de Stichting Verm¶gensverwaltung und Rentenanstalt uit ‘s-Gravenhage. Na de oorlog werd het huis ondergebracht in de Beleggingsmaatschappij M. van Embden N.V. en zou tegelijk met de Bank Van Embden N.V. onder andere het Britse consulaat er gevestigd zijn. In 1975 werd het huis gekocht door de Nederlandse Kredietbank, die al op nummer 458 gevestigd was.(2)

 

Vanaf 1934 is het dus als bankgebouw in gebruik geweest, waarna het in 1995 weer in particuliere handen kwam en de verschillende 19de-eeuwse stijlen van de ruimtes zijn hersteld of teruggebracht. De representatieve kamers zijn ingericht met meubilair uit de 18de en 19de eeuw. Naast een woonfunctie heeft het Staetshuys nu ook een publieke en museale functie.

 

Interieurstijlen

Dankzij een opmetingstekening uit 1866 naar aanleiding van de openbare verkoop in hetzelfde jaar is een goed beeld bewaard gebleven van de indeling van het Staetshuys. Het huis is vijf vensterassen breed  en bestaat uit vijf bouwlagen met een relatief kleine kelder rechtsachter onder het huis, een souterrain, een bel-etage, een verdieping en een zolder. Het huis had in 1866 een, voor dit type patriciërshuis, kenmerkende plattegrond met een centrale gang en kamers aan weerszijden. In het souterrain bevonden zich de dienstvertrekken, zoals de mangelkamer, de keuken en de eetkamer voor de dienstboden. Op de bel-etage waren de meest representatieve kamers gesitueerd, bestaande uit een vestibule, een kleine en een grote zijkamer en twee tuinkamers aan de achterzijde. In het trappenhuis bevindt zich nog de 18de-eeuwse trap in Lodewijk XV stijl met sierlijke en opengewerkte bronzen balusters. De slaapvertrekken van de familie bevonden zich op de verdieping.

 

Verschillende rijk geornamenteerde kamers in vroege en late 19de-eeuwse stijlen op de bel-etage ademen nog de sfeer van het gegoede leven in de 19de eeuw. Zo is de rechtervoorkamer, tegenwoordig aangeduid als de Rode salon, voorzien van 19de-eeuwse decoraties in rijke pastelkleuren en met vele verguldingen. Het plafond is voorzien van een houten, geprofileerde plafondlijst met tandlijst, een geschilderde band met meanders en daarbinnen een stuclijst, voorzien van vergulde rozetten, vergulde bloem- en bladmotieven en fijne parellijsten. Binnen deze lijst is het plafond in de hoeken voorzien van rozetten en schilderingen in rank- en bloemmotieven met rond het lichtpunt een rijk uitgewerkte en vergulde stucdecoratie binnen een geschilderde medaillon met meander.

 

De wanden hebben een witte wandbetimmering, voorzien van panelen met vergulde eierlijsten met daarin een rode wandbespanning. De paneeldeuren zijn rijk gedecoreerd met vergulde randen, waaronder eierlijsten en meanders. Hier springen de deuromlijstingen met kroonlijst en gestucte bovendeurstukken met putti het meest in het oog. Tot slot wordt de kamer gesierd door een prachtige, rijk gedecoreerde schouw van wit en okerkleurig marmer met onder andere rozetten, parel-, eier- en tandlijsten en bijpassende vergulde spiegellijst.

 

Het stucplafond in de, vermoedelijk uit dezelfde periode stammende, Witte salon (rechter achterkamer) is nog rijker en zwaarder gedecoreerd dan dat van de rechter voorkamer. Het kleurenschema van deze kamer is opgemaakt uit gele, groene en roze pasteltinten. In het plafond zijn gedeeltelijk dezelfde motieven aangebracht, zoals eierlijsten, parellijsten en rozetten. Dit plafond is daarentegen verdeeld in rechthoekige panelen met in het centrale paneel een groot, rond medaillon. De plafondlijst wordt op verschillende plekken ‘ondersteund’ door consoles, gedecoreerd met bladmotieven, die tegelijkertijd een verdeling aanbrengen in de wanden in combinatie met verticale banden met arabesken. Ook deze kamer is voorzien van wandbetimmeringen en wandbespanningen, die tevens door voorgenoemde banden worden geflankeerd. Ook hier bieden zware paneeldeuren toegang tot de kamer, die zijn omgeven door een houten omlijsting met kroonlijst en worden bekroond door ronde, witte stucco bovendeurstukken. De interieurafwerkingen van de Rode en de Witte salon zijn vermoedelijk deels in de vroege 19de eeuw, en deels later in de 19de eeuw in deze vorm aangebracht.(3) Zo zijn de schoorsteenmantels en de bovendeurstukken dateren mogelijk uit de tijd van de verbouwing door Hodson. De overige interieurafwerkingen zijn waarschijnlijk later in de 19de eeuw vervaardigd.

 

De vestibule en het trappenhuis zijn aan het eind van de 19de eeuw van een nieuwe interieurafwerking voorzien. Beide ruimten bezitten bovendeurstukken van de Haagse schilder Johannes Stortenbeker (1821-1899), onder andere huisschilder van koninklijke paleizen, zoals Paleis het Loo. Daarnaast was hij werkzaam als decoratieschilder voor het familiebedrijf Firma W. Stortenbeker & Zoonen. Waar in het trappenhuis slechts de bovendeurstukken van de hand van Stortenbeker lijken te zijn, is de wand- en plafondafwerking van de vestibule geheel aan Stortenbeker toe te schrijven. De schilderingen worden gedateerd in de periode 1890-1899.

 

In de vestibule ligt een marmeren vloer met marmeren lambrisering en houten paneeldeuren binnen een geprofileerde houten omlijsting bieden toegang tot de naastgelegen kamers. De meest opvallende elementen in de vestibule zijn echter de bovendeurstukken met bloemstillevens en het plafond met het ovale medaillon. Hier biedt Stortenbeker de beschouwer een blik naar de hemel door een wolkenlucht te verbeelden en enkele mussen en zwaluwen die onder andere op de rand van het medaillon rusten en de ruimte inkijken. De voorgestelde opening in het plafond is omringd door geschilderde rank- en bladmotieven, c- en s-krullen, die refereren aan de Lodewijk XV stijl. Tussen de deuren naar de kamers is aan weerszijden een omlijste wandschildering aangebracht, waarop muziektrofeeën worden afgebeeld. Links zijn bijvoorbeeld een muziekboek en een fluit te zien. De deuren naar het trappenhuis zijn voorzien van geëtste ruiten met blad- en rankmotieven in een neo-Lodewijk XV stijl. De bovendeurstukken in het trappenhuis zijn van een andere aard. Op de stukken boven de deuren die toegang verschaffen naar de rechter voor- en achterkamer worden verschillende putti afgebeeld. Het stuk boven de deur naar de vestibule verbeeldt de Allegorie op de vergankelijkheid. Het stuk boven de deur naar de linker achterkamer verbeeldt de Allegorie op de poëzie en muziek. Deze bovendeurstukken worden gedateerd in 1892.(4) Uitgaande van de dateringen van het werk van Stotenbeker heeft de verbouwing van de vestibule en de gedeeltelijke wijziging van het trappenhuis waarschijnlijk plaatsgevonden toen Mathilde en Johannes in 1890 het huis in bezit kregen en bewoonden.

 

Het souterrain verdient ook nog enige aandacht. Dubbele openslaande deuren met geëtst glas bieden vanuit het trappenhuis toegang tot het souterrain. Het motief op het glas wijst op een mogelijk vroeg 20ste-eeuwse makelij. De vloer is belegd met marmer en de wanden zijn voorzien van een smalle plint van olijfgroene tegels. De verdere wandafwerking is bijzonder, vanwege de motieven die daarin voorkomen. De wanden zijn geheel bezet met tegels en bestaat uit rechthoekige vlakken met daarboven een fries of sierlijst. Dit fries bestaat uit groene tegels met bloemmotieven en wordt geheel omgeven door een smalle roze rand. De panelen bestaan daarentegen uit een groene omkadering met palmetten over de lengte en breedte en rozetten in de hoeken. De vlakken zijn gevuld met roze, afwisselend vlakke tegels en versierde tegels met rozetten. De muurvlakken tussen de panelen zijn gevuld met okergele tegels. Mogelijk is deze decoratie in het souterrain aangebracht toen op dit niveau een kantoorruimte werd ingericht door Van Embden.

 

De Gouden Bocht  

De welvarende laatste dertig jaar van de 19de eeuw maakten de panden in de Goude Bocht van de Herengracht zeer gewild onder de nieuwe rijken. Deze ondernemende beleggers in aandelen, spoorwegen, staalfabrieken en rubberplantages waren in korte tijd vermogend geworden en konden zich de panden van de oude elite, die haar welvarendste tijd achter zich had, veroorloven. Men streek neer aan de Herengracht en onderwierp het 17de-eeuwse huis, vaak verfraaid in de 18de eeuw, aan opnieuw een moderniseringsslag, waarin het moderne comfort van verwarming en sanitair tevens een plaats moest vinden.

 

Wonen aan de Amsterdamse grachten was in de 19de eeuw voor de oude elite van Amsterdam een kwestie van status geweest. De Herengracht en Keizersgracht voldeden het beste aan deze behoefte van het wonen op stand. Aan de Keizersgracht waren de huizen ingetogen, deftig en favoriet bij de oude regenten. De geldaristocraten, de oude handelsfamilies die al een aantal generaties in Amsterdam resideerden, zoals de familie Borski, de familie Van der Vliet en de familie Luden, hadden echter een voorkeur voor dubbele grachtenhuizen aan de Herengracht in de Gouden Bocht tussen de Leidsestraat en Vijzelstraat. Hier werd gewoond en gewerkt. Er mocht geen handel worden gedreven aan de gracht maar veel bankiers en handelsmaatschappijen hielden er wel kantoor aan huis. Meestal was er niet meer dan een zakelijke herenkamer, studeerkamer of spreekkamer waar men vergaderingen hield.(5) Rond 1900 waren de banken geprofessionaliseerd en in aparte gebouwen ondergebracht. Dat was ook het moment dat veel families met het gezin definitief afscheid namen van Amsterdam en neerstreken op de buitens in Kennemerland. Die waren inmiddels goed bereikbaar door het spoorwegennetwerk en comfortabeler door de komst van centrale verwarming.

 

De wereld van de Amsterdamse geldaristocratie

De families Borski, Van der Vliet en Luden waren in de tweede helft van de 19de eeuw internationaal georiënteerde families die via de geldhandel en handelsmaatschappijen contact onderhielden met vele andere Europese steden. De huizen aan de Amsterdamse gracht en de buitenhuizen in Overveen vormden het centrum van het sociale stelsel waar deze families deel van uitmaakten. Het representatieve belang van een familiehuis aan de Amsterdamse gracht in de 19de eeuw was daarbij groot, ofschoon het grootgrondbezit buiten de stad in Kennemerland minstens zo belangrijk was. Vanuit Amsterdam en Overveen werden handelscontacten en familiebanden onderhouden en werden grand hotels en kuuroorden bezocht. De familie maakten intensief gebruik van koetsreizen, bootverbindingen, spoorwegen en postdiensten om hun zakelijke en persoonlijke relaties te kunnen onderhouden.(6) Daarnaast was er een actief Amsterdams sociaal leven dat zich afspeelde in het Concertgebouw, het Vondelpark en Artis, gebouwd en aangelegd aan het eind van de 19de eeuw.

 

David Van der Vliet (1822-1889) was sinds 1867 eigenaar en bewoner van Herengracht 460. Hij was koopman te Amsterdam en telg van de oprichters van de  Fa. Van Der Vliet IJzerstaven, groothandelaren in ijzer. Uit dien hoofde was Van der Vliet ook commissaris van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij. Daarnaast was hij Commissaris van het Amstelhotel en actief voor het Vondelpark en Artis. In 1851 trouwde hij met zijn volle nicht Anna Johanna Jacoba Borski. Het paar kreeg negen kinderen.

 

David Van der Vliet en Anna Borski waren beide kleinkind van de beroemde bankiersvrouw Johanna Jacoba Borski-Van de Velde (1764-1846). Zij redde in 1816 met haar miljoenen de Nederlandse Bank, die wegens gebrek aan kapitaal op een bankroet afstevende. Zij werd grootaandeelhouder van de Nederlandse bank, richtte een handelsfirma op en participeerde in tal van binnen- en buitenlandse fondsen. Johanna Borski-Van de Velde bouwde een uitgebreid netwerk van relaties in de bankwereld op door de huwelijken van haar kinderen en kleinkinderen met telgen uit oude Europese bankiersfamilies.(7) Het huwelijk tussen haar kleinkinderen David van der Vliet en Anna Borski paste naadloos in dit streven.

 

Het echtpaar van der Vliet-Borski bewoonde ’s winters het huis aan de Herengracht en betrokken in de zomermaanden, vanaf het voorjaar tot het einde van het jachtseizoen diep in het najaar, hun buitenplaats Duinlust in Overveen. David van der Vliet gaf in 1881 opdracht voor de afbraak van het oude huis op de buitenplaats Duinlust en was bouwheer van de bouw van een nieuw Duinlust. Het extravagante Duinlust en de even extravagante recepties in het Amsterdamse grachtenhuis kenmerkte David Van der Vliet.(8) Hij hield er een exuberante levensstijl op na zowel in de echtelijke woning op Herengracht 460 als op Duinlust en hij participeerde in grootse jachtpartijen op Elswout, grenzend aan Duinlust. Hij maakte talloze zakenreizen in Europa om de belangen van de Spoorwegmaatschappij te behartigen en was een zeer extraverte persoonlijkheid die enorm van feesten en partijen genoot.(9) In 1884 nadat het nieuwe huis op Duinlust gereed was gekomen verliet de familie Van der Vliet-Borski de stad.

 

Herengracht 460 bleef nog ruim een decennium in de familie, doordat na de dood van David van der Vliet in 1889, zijn schoonzoon Johannes Luden (1857-1940) met zijn vrouw en hun vier kinderen eigenaar en bewoner van Herengracht 460 werden. Johannes Luden (1857-1941), afkomstig uit een bankiersfamilie, was in 1882 getrouwd met Mathilde Van der Vliet (1857-1942) en begon zijn carrière als ambtenaar bij de Nederlandsche Bank. In 1885 werd hij waarnemend directeur van de Rente Cassa en was lid van de firma Van Loon en de firma Hope & Co. Het gezin bleef wonen op Herengracht 460 tot de villa Koningshof in Overveen in 1899 klaar was en ook dit gezin Amsterdam in 1900 voorgoed verliet.

 

Wonen, werken en representatie in de late 19de eeuw

De vertrekken in een Amsterdams grachtenpand in de late 19de eeuw kenden een hoge mate van differentiatie van functies. Het souterrain was bestemd voor koken, stoken en het domein van het personeel. De eerste verdieping, de bel-etage was bedoeld voor representatie. Hier bevonden zich de pronkkamers, ontvangstkamer, kantoor, eetkamer en een zaal voor feestelijke diners en partijen. De eerste verdieping herbergde de slaapkamers en privévertrekken van het gezin. De zolder was het domein van bedienden die zich konden terugtrekken in simpele kamers met houten wanden en bedden.(10)

 

Eetkamers, dienkamers, studeerkamers, bibliotheken, rookkamers, salon en boudoirs behoorden tot de vaste vertrektypen op de beletage. Het karakter van een vertrek had sterk te maken met de persoon die het meest van deze kamer gebruik maakte. De vrouw des huizes ontving in haar eigen salon of boudoir, de heer des huizes beschikte over een werkkamer, bibliotheek of rookkamer.(11) Verschillende stijlen waren favoriet voor de verschillende ruimtes en men aarzelde niet elke ruimte in een eigen architectonische stijl vorm te geven.  Voor de vertrekken waar de vrouw des huizes haar stempel op drukte en haar rol als gastvrouw diende te vervullen, zoals de salons, waren elegante en vrolijke stijlen favoriet. Voor de vertrekken van de heren werden meer ingetogen, zakelijke stijlen gebruikt.

 

Het huis van mevrouw

Het sociale en huishoudelijke leven van Anna Van der Vliet-Borski en later Mathilde Luden-Van der Vliet op Herengracht 460 vormde een dagtaak ondanks de aanwezigheid van personeel. Anna Van der Vliet was een beheerste, zeer huiselijke en gelovige vrouw.(12) Het regelen van het huishouden, de zorg voor de representatieve vertrekken en het onderhouden van de juiste sociale contacten was een hele klus. De ochtend, middag en avond waren gebonden aan bepaalde daginvullingen die zich afspeelden in verschillende vertrekken van het huis. Het in optimale conditie houden van het interieur en het kiezen van de juiste kleding was de taak van de vrouw des huizes, haar dochters en dienstmeisjes. Ontvangsten en visites speelden zich af na de lunch in de salons van het huis.(13) Het laat 19de-eeuwse huis was dus voor het grootste deel van de dag het domein van mevrouw. Dit vertaalde zich in de keuze voor elegante interieurstijlen zoals Lodewijk XV en XVI voor de salons op de bel-etage waar mevrouw en haar ongehuwde dochters gasten ontvingen. In hoeverre Anna Van der Vliet zelf een rol heeft gespeeld in het vormgeven van het interieur blijft nog onbeantwoord. Wel is bekend dat zij zich op het familiebuiten Duinlust in Overveen, actief bemoeide met het bemachtigen van een eikenhouten trap uit Parijs, volgens haar bij uitstek geschikt voor de villa.(14)

 

De vertrekken van meneer

David Van der Vliet en Johannes Luden waren het grootste deel van de dag niet op Herengracht 460 te vinden. Het onderhouden van het zakelijk netwerk speelde zich af rondom de bank, de Beurs en de herenclubs die gedomineerd werden door oude Amsterdamse families. David van der Vliet was buitengewoon actief in deze sociëteiten waar initiatieven voor oprichting van Artis, Het Concertgebouw en het Vondelpark werden ontwikkeld. David Van der Vliet stond daarnaast bekend als een fervent sigarenroker, jager, was zeer ondernemend, luidruchtig en een grappenmaker.(15) Ook Johannes Luden had veel nevenfuncties. Hij was onder meer commissaris van de Nederlandse Petroleum Maatschappij en de cultuurmaatschappij Ngredjo.(16)

 

Het luidruchtige gedrag van mannen, drinken en roken, werd niet gewaardeerd in de vrouwelijke vertrekken zoals de salons. De heren werden in het laat 19de-eeuwse woonhuis en dus ook op Herengracht 460 geweerd uit de vrouwelijke vertrekken. Herenbezoek werd ontvangen in de herenkamer bij de officiële entree van het huis op de bel-etage. Specifieke vertrekken waren gereserveerd voor de heren des huizes die kantoor aan huis hadden. Zij hadden een werkkamer op straatniveau of in het souterrain aan de straatzijde.

 

De eetkamer werd eveneens als een mannelijk vertrek beschouwd en als zodanig gedecoreerd.(17) De eetkamer bleef na het eten het domein van de heren; in grotere huizen trokken zij zich terug in de rookkamer of de biljartkamer: exclusieve herendomeinen. De dames gingen na de maaltijd terug naar de salon. Zelfs de tafelbediening was in de kringen van de familie Borski en Van der Vliet mannelijk, waarbij knechten in livrei bedienden. Knechten woonden en werkten in het souterrain en bleven daarbij zover mogelijk van de vrouwelijke vertrekken van het huis.

 

Geldaristocraten leidden aan het eind van de 19de eeuw een leven waarin het de families in materiële zin aan weinig ontbrak. Ofschoon de rijkdom een enorme vrijheid gaf, hen in staat stelde schitterend te wonen op de gracht en op het buiten in Kennemerland, werd men door dezelfde rijkdom ook beperkt. De Borski’s, Van der Vliets en Ludens leidden een leven dat gevuld was met regels en protocollen die men niet zomaar naast zich neer kon leggen. Sociale conventies en het voeren van de perfecte huishouding konden, met name voor vrouwen, een knellend keurslijf vormen. Net zoals voor de vrouwen en mannen die dit protocollaire leven mogelijk moesten maken, het veeltallig personeel dat op de gracht en op het buiten zich het zweet des aanschijns werkte. Voor een groots huishouden, zoals dat door de familie Borski, Van der Vliet en Luden op de Herengracht 460 en in Overveen werd gevoerd was het niet ongebruikelijk om drie meisjes voor schoonmaakwerk, de bestellingen bij de winkels, was en -strijkwerk, en verstel-en naaiwerk onder het eigen dak te hebben. Daarnaast gaf men emplooi aan een huisknecht, een tuinman, koetsier en/of chauffeur, een kamermeisje voor mevrouw, een knecht voor meneer en een kinderjuffrouw voor de kinderen.(18)

 

Kortom, om te gaan en blijven behoren tot de klasse der geldaristocraten moest men zich veel inspanning getroosten, zowel op het zakelijke als persoonlijke vlak. Minstens zoveel inspanning was echter gemoeid met het volhouden van het representatieve leven dat onlosmakelijk aan deze status verbonden was.

 

Noten

  1. I.H. van Eeghen en H. de la Fontaine Verwey, Vier eeuwen Herengracht geveltekeningen van alle huizen aan de gracht, twee historische overzichten en de beschrijving van elk pand met zijn eigenaars en bewoners, Amsterdam 1976, p. 559.
  2. ‘Johannes Stortenbeker’, Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) < www.rkd.nl >.
  3. P. Spies, The canals of Amsterdam (vert. van Het grachtenboek), Den-Haag 1991, p. 153; J.F.L. de Balbian Verster, ‘De bocht van de Heerengracht’, Jaarboek Amstelodamum, deel 27, pp. 179-260. Zie ook: K. Kleijn, E. Kurpershoek en S. Otani, De grachten van Amsterdam. 400 jaar bouwen, wonen, werken en leven, Noordeinde-Bussum 2013, p. 178.
  4. ‘Johannes Stortenbeker’, RKD < www.rkd.nl >.
  5. Eeghen I.H, van en H. de la Fontaine Verwey 1976 (zie noot 1 ), p. 460.
  6. B. Van Vonderen, Deftig en Ondernemend. Amsterdam 1870-1910, Amsterdam 2013, pp. 311-314.
  7. Inger Groeneveld, Borski Bouw, doctoraal scriptie VU Amsterdam, 2004, pp. 24-26.
  8. Groeneveld 2004, (zie noot 7) pp. 17-38.
  9. Jhr. F.J. E Van Lennep, Een Weduwe aan de Amsterdamse Beurs. Borski Saga: 1765-1960, Groningen 1973, p. 113; C.W.D Vrijland, ‘Van Oude mensen, voorvallen en gebeurtenissen’, Ons Bloemendaal, 1 (2003), pp.28-31.
  10. Van Vonderen, (zie noot 6) pp. 311-314.
  11. B.Laan, ‘Het interieur als kleed, neostijlen in de late 19de eeuw’, in: Van Neorenaissance tot postmodernisme, honderdvijfentwintig jaar Nederlandse interieurs 1870-1995, Rotterdam 1995, pp. 34-35.
  12. Van Lennep,1973 (zie noot 9) pp. 89,105,112.
  13. Groeneveld 2004 (zie noot 7) pp. 27.
  14. CWD Vrijland, Duinlust, fugit irreparabile tempus, Jaerboek Haarlem, 1984, pp. 8-25.
  15. Van Lennep,1973 (zie noot 9) 89,105,112.
  16. www. humanitarisme.nl-luden.
  17. Laan 1996, (zie noot 11) p. 34.
  18. Ileen Montijn, Leven op Stand 1890-1940, Amsterdam 2003, pp. 211-244.

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Archief

Jaarlijks archief

Blijf op de hoogte via e-mail

Vul uw e-mailadres in om bericht te krijgen bij nieuwe blog- en nieuwsberichten op deze website.

Gerrit Berckheyde, Gezicht op de Gouden bocht in de Herengracht, 1671-1672. Aan de linkerzijde net voorbij de bocht zijn de lege kavels te zien, waarop niet veel later Herengracht 460 zou worden gebouwd.

Gerrit Berckheyde, De bocht van de Herengracht te Amsterdam, 1685. Het derde huis aan de linkerkant vanaf de bocht is het huidige Herengracht 460.

Voorgevel van het Staetshuys (Beeldbank Stadsarchief Amsterdam).

De huizen 462-458 aan de Herengracht met in het midden het Staetshuys. Gravure vervaardigd door Hendrik de Leth 1731-1766 (Beeldbank Stadsarchief Amsterdam).

Opmetingstekening met plattegronden uit 1866 van het Staetshuys n.a.v. de openbare verkoop (Beeldbank Stadsarchief Amsterdam).

Plafond in de Rode salon, ofwel de rechtervoorkamer. Rechts is een van de stucco bovendeurstukken zichtbaar (BMBeeld 2016).

De rijk gedecoreerde schouw en spiegellijst in de Rode salon. De spiegel biedt tevens een blik op de centrale stucversiering van het plafond (BMBeeld 2016).

Detail van het plafond in de Witte salon, ofwel de rechter achterkamer (BMBeeld 2016).

De vestibule met beschilderingen en bovendeurstukken van Johannes Stortenbeker (BMBeeld 2016).

Johannes Stortenbeker, Allegorie op de vergankelijkheid, bovendeurstuk in het trappenhuis, 1892 (RKD Images).

Johannes Stortenbeker, Putti met bloemenslinger, bovendeurstuk in het trappenhuis, 1892 (RKD Images).

Muziektrofee in de vestibule van Johannes Stortenbeker, datering wordt geschat op 1891-1899, maar is vermoedelijk ook rond 1892 vervaardigd.

Deze detailfoto van het plafond in de vestibule geeft een goed beeld van de plafondschildering en bovendeurstukken (BM Beeld 2016).

Deur naar de tuinkamer vanuit het trappenhuis met bovendeurstuk van Johannes Stortenbeker, Allegorie op de poëzie en muziek (BMBeeld 2016).

Detail van de 18de-eeuwse Lodewijk XV trap (BMBeeld 2016).

De traphal gezien naar de toegangsdeuren tot de rechter voor- en achterkamer en rechts de deur naar de vestibule (foto BMBeeld).

Dubbele deur in de rechter voorkamer (foto BMBeeld 2016)

Detail van het geëtst glas in de dubbele deur tussen vestibule en trappenhuis (BM Beeld 2016).

De bijzondere tegelafwerking met empire motieven in het souterrain (BMBeeld 2016).