Villa De Cranenburgh door Thunnissen-Hendricks en Peper

26/08/2016 door Alexander Westra

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Streven naar het perfecte wonen

 

Op een terrein dat direct aan de Haarlemmerhout grenst en oorspronkelijk tot het grondgebied van de buitenplaats Spruitenbosch behoorde, verrees tussen 1928 en 1929 een voor die tijd moderne villa met de naam ‘De Cranenburgh’.

 

De opdrachtgever was het echtpaar Van Cranenburgh-Hermans. De heer Van Cranenburgh, van beroep notaris, vestigde zich met zijn gezin in 1919 in Haarlem.(1) Het Haagse architectenbureau H.W.J. Thunnissen & J.H. Hendricks en de in Heemstede gevestigde architect J.Ph. Peper leverden het ontwerp. Voor het tuinontwerp werd de bekende tuinarchitect K.C. van Nes ingeschakeld.

 

Bij de inrichting en afwerking van het interieur maakte het echtpaar gebruik van vooraanstaande leveranciers; zo verzorgde de firma J.H. Korsten uit Amsterdam de verwarmingsinstallatie en leverde de meubelfabriek H. Pander & Zonen naast de betimmeringen ook de meubilering en een belangrijk deel van de stoffering.

 

Het interieur van de villa is nog in hoge mate authentiek. De Cranenburgh is vanaf de bouw tot op heden, met een onderbreking van een periode van zestien jaar, door drie generaties van dezelfde familie bewoond. In de familie zijn diverse documenten uit de bouwperiode en verhalen over vroeger bewaard gebleven. Deze zeldzame omstandigheid geeft een tamelijk unieke en gedetailleerde inkijk in de bouw, inrichting en afwerking van villa De Cranenburgh en het streven van de opdrachtgevers naar het perfecte wonen.

 

De opdrachtgevers

Reinier Christiaan Alphonsus van Cranenburgh (1873-1957) en Elisabeth Henrica Anna Maria Hermans (1878-1967) zijn beiden geboren in het aan de Maas gelegen Brabantse plaatsje Cuijk. In 1903 traden zij in het huwelijk. In 1919, toen Van Cranenburgh benoemd werd tot notaris te Haarlem, verhuisde het echtpaar naar deze stad en ging aanvankelijk aan de Kruisweg wonen. Zij hadden toen reeds een zoon, Henri Christiaan Reinier Maria (1915-1991), roepnaam Harry, en kregen in het jaar van aankomst in Haarlem nog een dochter, Maria Louisa Christina Henriette (1919-2011), roepnaam Marie-Louise. De ingemetselde plaquette ter ere van de eerstesteenlegging van De Cranenburgh vermeldt de namen van de twee kinderen. De dochter, die in Leiden studeerde en later kandidaat-notaris werd, bewoonde de villa vanaf de bouw in 1929 tot 1966. In 1946 trouwde zij. Haar echtgenoot was, evenals zijn schoonvader, notaris van beroep. Het echtpaar kreeg vier kinderen. Het gezin verliet De Cranenburgh in 1966, maar in 1982 keerde een van hun dochters terug in de villa; deze dochter bewoont het huis tot op de dag van vandaag. Zo is de villa vanaf 1929 tot op heden, met een onderbreking van een periode van zestien jaar, door drie generaties van dezelfde familie bewoond.

 

Twee dienstbodes, Nella en Berta, die in Cuijk al bij het echtpaar Van Cranenburgh in dienst waren, verhuisden in 1919 mee naar Haarlem en werkten en woonden vanaf het begin op De Cranenburgh. Berta bleef tot het begin en Nella tot het eind van de jaren vijftig bij de familie.

 

Van Cranenburgh en zijn echtgenote waren katholiek. Politiek gezien behoorde Van Cranenburgh tot de conservatieve rechtervleugel van de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP). Hij was actief binnen de kiesverenigingen van deze partij. Onder conservatieve katholieken ontstond in de jaren na de Eerste Wereldoorlog een groeiende onvrede met de in hun ogen te sociale koers van de RKSP. Na de kabinetscrisis van 1922, toen het confessionele kabinet van Ruijs de Beerenbrouck I was gevallen, vreesden zij tevens dat veel katholieke kiezers die niet tot de arbeidende klasse behoorden bij de aankomende verkiezingen liberaal zouden gaan stemmen. Op 25 februari 1922 verscheen in De Tijd en De Maasbode een artikel, met daaronder de naam Van Cranenburgh.(2) In zijn artikel formuleerde hij bovengenoemde grieven tegen de koers van de RKSP; ook stelde hij enkele alternatieve programmapunten op. Dit alles leidde later dat jaar tot de oprichting van de Nieuwe Katholieke Partij (NKP), die overigens al heel snel ter ziele zou gaan. Van Cranenburgh zelf distantieerde zich van deze partij; blijkbaar vond hij een splitsing binnen de katholieke partij toch ter ver gaan. Het genoemde krantenartikel deed veel stof opwaaien en de groep ontevredenen kreeg in de pers al snel de naam ‘De Cranenburghers’.

 

Zoals de gevelsteen links van de hoofdingang vermeldt kreeg de villa de naam van de familie: De Cranenburgh. De gevelsteen links van de hoofdingang bevat een reliëfvoorstelling van een stralende zon en een kraanvogel. In de christelijke iconografie is de kraanvogel een symbool voor waakzaamheid.

 

De betrokken ontwerpers

Van de betrokken ontwerpers zijn Thunissen en Van Nes de meest bekenden. Thunnissen was een zeer productief architect.(3) Hij ontwierp verspreid door heel Nederland vele landhuizen in overwegend traditionele landhuisstijl. Ook was hij in Duitsland actief op het gebied van de landhuisbouw. Daarnaast was de Rooms-Katholieke Kerk een groot en belangrijk opdrachtgever voor hem. De oeuvrelijst van Thunnissen omvat een lange opsomming van katholieke kerken, scholen, opvanghuizen en klinieken. In de jaren twintig van de vorige eeuw werkte hij een periode samen met de architect J.H. Hendricks, die met name het tekenwerk en de interieurontwerpen voor zijn rekening nam. De ontwerpen van Thunnissen hebben over het algemeen traditionalistische stijlkenmerken. Het monumentale kledingmagazijn voor Peek & Cloppenburg aan de Grote Marktstraat in Den Haag uit 1929 en villa De Cranenburgh vormen hierop een uitzondering; beide gebouwen hebben met hun geometrische volumes en strakke belijning een moderner aanzien en vertonen verwantschap met de bouwtrant van de Haagse School.

 

De uit een Boskoopse boomkwekersfamilie stammende tuinarchitect K.C. van Nes (1876-1952) maakte het tuinontwerp en het bijbehorende beplantingsschema voor De Cranenburgh.(4) Daarbij hield hij als een echte landschapsarchitect rekening met zowel de architectuur als het omringende landschap. De tuin sluit dan ook vanzelfsprekend aan op de aangrenzende Haarlemmerhout. Op de ontwerptekeningen staan de via de erkers lopende zichtlijnen tussen het interieur en de tuin met het omringende landschap ingetekend.

 

Ook bij het grootschalige bouwproject van het Psychiatrisch Centrum St. Willibrordus in Heiloo, uitgevoerd tussen 1928 en 1940, werkte Thunnissen samen met zowel Hendricks als Van Nes. Hij koos voor dit complex een zakelijk-traditionalistische stijl.

 

Het echtpaar Van Cranenburgh en met name de echtgenote waren volgens de overlevering niet tevreden over het eerste ontwerp van Thunnissen en Hendricks; het ontwerp zou niet modern genoeg geweest zijn. Dit was de reden dat de Heemsteedse architect Peper erbij gehaald werd. Gezien de traditionalistsiche kenmerken van het werk van Thunnissen mag het geen verbazing wekken dat mevrouw Van Cranenburgh zijn ontwerp niet modern genoeg achtte. De keuze voor Peper is, gezien zijn zeer beperkte en niet door moderniteit in het oog springende oeuvre, wel wat raadselachtig. Het villa-achtige woonhuis dat hij in 1926 voor zichzelf ontwierp is in architectonisch opzicht zeker een bijzondere schepping, maar is met het schilddak en de gepotdekselde planken op de verdieping nu niet echt modern te noemen.(5) Hoe dan ook, in het nieuwe ontwerp kreeg het huis twee halfronde erkers en een eveneens halfronde betonnen pergola. Het exterieur van de villa is mede door traditioneel materiaalgebruik zoals baksteen en hout geen exponent van het nieuwe bouwen, maar is met de platte daken, de strakke geometrische bouwvolumes, het nagenoeg ontbreken van ornament en het benadrukken van de horizontale lijnen voor de tijd zeker ‘modern’ te noemen. Zoals gezegd vertoont de stijl van de villa verwantschap met de Haagse School. Bij de opzet van De Cranenburgh is gekozen voor een langgerekte begane grond met daarboven een verdieping die slechts de helft van de omvang van de begane grond heeft. Een dergelijke opzet is een kenmerkend aspect van de bungalow-achtige huizen van Frank Lloyd Wright uit de eerste twee decennia van de 20ste eeuw; mogelijk zijn de architecten van De Cranenburgh hierdoor geïnspireerd.

 

Indeling

De oorspronkelijke indeling van het huis is op enkele details na volledig behouden gebleven en op basis van de plattegronden uit de bouwperiode zijn de vroegere functies van alle ruimtes te achterhalen. De indeling van de begane grond kenmerkt zich naast de opsplitsing in een ontvangst-, woon-, eet- en dienstgedeelte door een duidelijke keuze wat oriëntatie betreft, waarbij zowel de zichtlijnen op de omringende tuin als het zonlicht van doorslaggevende invloed waren.

 

De villa heeft op de begane grond een tamelijk complexe, samengestelde plattegrond: een vlinderplattegrond met twee halfronde erkers voor het uit twee bouwlagen bestaande deel van het huis en twee min of meer rechthoekige opzetten voor het uit slechts een bouwlaag bestaande deel. De op het zuidwesten gerichte symmetrieas van de vlinderplattegrond loopt door het midden van de voordeur, de vestibule en de hal. Door toepassing van flauwe hoeken heeft het portiek de vorm van een zich richting de voordeur vernauwend trapezium gekregen. Na de vestibule belandt men in de vijfhoekige centrale hal. Hier is in 1989 vanwege de dubbele bewoning van de villa op reversibele wijze een scheidingswand geplaatst.

 

Vanuit de hal met aangrenzend de trap naar de verdieping zijn de twee aan weerzijden van de vestibule gelegen vertrekken te bereiken: de vroegere linnenkamer en de garderobe met toiletruimte. De zuidelijk gelegen woonkamer en de westelijk gelegen eetkamer, beide met erker, zijn eveneens bereikbaar vanuit de hal. Aan de zuidzijde van de hal grenst een tussengang, van waaruit het slaapgedeelte, de keuken en diverse andere dienstruimtes en de kelder betreden kunnen worden. Het voornamelijk op het zuiden georiënteerde slaapgedeelte van de familie ligt aan een lange in oostelijke richting lopende gang. Aan de gang bevinden zich, zoals op de oorspronkelijke plattegronden vermeld, de slaapkamers voor de dochter, de ouders en de zoon. De badkamer en de toiletruimte zijn aan het eind van de gang gesitueerd.

 

Het noordelijke deel bevat de keuken, ‘waschkeuken’ met een open plaatsje, het toilet voor het huispersoneel en een ‘portaal’, dat eveneens voor huishoudelijke activiteiten gebruikt werd. De sterk verdiepte stookruimte en naastgelegen kolenberging liggen aan de noordelijke zijde van de villa. De keuken, eveneens op het noorden georiënteerd, wordt in het noorden begrensd door de dienkamer; tussen deze vertrekken bevond zich een groot doorgeefluik. Vanuit de voormalige dienkamer belandt men tenslotte weer in de eerder genoemde eetkamer. De bovenverdieping herhaalt de vlindervormige opzet van de begane grond. Oorspronkelijk bevonden zich hier rond de hal de slaapkamertjes voor de twee dienstbodes, een logeerkamer, een kinderkamer, een badkamer en toiletruimte, een slaapkamer voor de ‘zuster’ en een ‘zolder’.

 

Interieur

Bij lezing van de overgeleverde documenten uit de bouwtijd vallen de hoge mate van detaillering en het streven naar kwaliteit, comfort en perfectie op. In een typografisch fraai verzorgd boekwerkje, getiteld ‘Bestek en voorwaarden’ , beschrijven de drie betrokken architecten in het kader van de aanbesteding minutieus de eisen en wensen. Zo is er een ‘Staat van aantal Lichtpunten en Stopcontacten’, waarin per vertrek het aantal lichtpunten (‘Enkele’, ‘Hotel’ of ‘Serie’) en stopcontacten (eventueel waterdicht of voor krachtstroom) vastgelegd is. Uit het staatje blijkt onder andere dat rond 1930 lang niet alle ruimtes standaard een of meerdere stopcontacten kregen; de hele villa telde aanvankelijk ‘slechts’ 22 stopcontacten.

 

Ook het benodigde sanitair is precies omschreven in de ‘Staat van Sanitair’. Op basis van deze staat weten we precies welke vertrekken een wasbak, een dubbele wasbak, een bad, een voetbad of een slobzink (een lage wasbak voor schoonmaakwerkzaamheden) kregen. Ook de plek van de kranen, zowel binnen als buiten, zijn netjes gespecificeerd en uitgesplitst naar warm en koud water. Zo blijkt dat er op de slaapkamer van de zoon een wasbak met warm water en een voetenbadje kwam. Het voetenbadje ontbreekt op de slaapkamer van de dochter, waarschijnlijk vanuit de gedachte dat alleen de zoon af en toe vuile voeten kreeg. De slaapkamertjes van de dienstbodes kregen weliswaar een eigen wasbak, maar dan alleen met koud water. De staatjes zijn onderaan steeds voorzien van de eindtotalen.

 

De indrukwekkende stookinstallatie is geleverd door het bekende Sanitair Technisch Bureau J.G. Korsten, destijds gevestigd aan het Koningsplein te Amsterdam. Op basis van berekeningen garandeerden zij ‘dat bij -12 0 C buitentemperatuur de in de projectteekening ingeschreven binnentemperatuur gemakkelijk bereikt en behouden kunnen worden, zulks bij gelijktijdige verwarming van alle vertrekken en bij kalm droog weer’. Als warmtebron koos Korsten een ‘Lollar of Strebel ketel’, gecombineerd opgesteld met een ‘Ruudheater No. 300’. Voor de warmwatervoorziening kwam er een tweede Ruudheater. Op een na de installatie gemaakte foto is de stookruimte met de drie ketels te zien. De grote kolengestookte ketel was bedoeld voor de winterperiode; deze kon ook bij strenge vorst het huis warm houden. In de lente en het najaar schakelde men over op de lichtere gasgestookte Ruudheater No. 300. Het systeem is zo gemaakt, dat wanneer er bijvoorbeeld vanwege ‘dienstboden nood’ moeilijk met kolen gestookt kon worden, de twee gasgestookte Ruudheaters gecombineerd konden worden ten behoeve van de centrale verwarming. De kolenopslag ligt direct naast de verwarmingsruimte, die via een deur en trap ook via de buitenzijde betreden kan worden. Door de sterk verdiepte aanleg zijn beide ruimtes ongebruikelijk hoog.

 

De betimmering, meubilering en stoffering zijn voor een belangrijk deel verzorgd door de firma H. Pander & Zonen. Van deze gerenommeerde meubelfabrikant zijn uitvoerige prijsopgaves bewaard gebleven waarin per vertrek alle te leveren zaken en uit te voeren werkzaamheden beschreven zijn. De woon- en eetkamer kregen als de meest deftige vertrekken een luxueuze en relatief traditionele betimmering in kostbare donkere houtsoorten. Deze betimmering bestaat uit een vlakke lambrisering, een kooflijst, wand- en vitrinekasten en de omkasting van de radiatoren. De deur van de woonkamer is aan de binnenzijde prachtig   livre ouvert afgewerkt met palissanderhout. Blijkens de correspondentie werden voor de eet- en woonkamer verschillende alternatieven gepresenteerd, waarna het echtpaar een keuze maakte. Voor de woonkamer werd uiteindelijk een roze behang gekozen. Van dit behang is een rol bewaard gebleven. Het papieren behang heeft op de voorkant een bijzondere weefselstructuur met een glanzend changeant-effect. Op het uiteinde van de rol staan het merk en staalnummer vermeld: ‘Tekko No. 737’. Tekko was een merk van de in 1926 in Schiebroek opgerichte behangfabriek Rath & Doodeheefver.

 

Naast de vaste betimmering leverde Pander & Zonen een belangrijk deel van de stoffering voor het huis. Zo lezen we in een van de offertes onder het kopje ‘Zitkamer’:

‘In den erker en voor 1 deur: Meubelgordijnen van stof   f. 9.75 per Meter, gevoerd met satinet   f. 1.85 per Meter, gemoltonneerd, afgewerkt met koord, trekkend aan Engelsch railgarnituur.’

‘Bestaand smyrna tapijt effen rood verven, in het erkergedeelte nieuw smyrna tapijt, rondom met linnen bezet en gelegd met viltpapier op ringen en bouten.’

 

Naast het leveren van nieuwe stoffering voerde Pander & Zonen tevens het vermaken van bestaande gordijnen en tapijten van de familie uit, dit met het oog op hergebruik. Dit gold ook voor meubels. De Van Cranenburghs lieten bestaand meubilair restylen. Waarschijnlijk waren zij gehecht aan hun oude meubilair, maar achtten zij deze meubels niet strak genoeg voor hun nieuwe villa; mogelijk vonden zij het ook zonde van het geld om alles nieuw aan te schaffen. In een van de prijsopgaven van Pander & Zonen staan lange lijsten van meubels die onder handen  genomen moesten worden. De logeerkamer bijvoorbeeld werd voor een deel met gerestylede meubels en voor een deel met nieuwe meubels uitgerust. Een slaapkamerensemble afkomstig uit het vorige huis kreeg een tweede leven in de nieuwe villa, zoals te lezen is onder het kopje ‘Logeerkamer’: ‘Een berkenhouten lits-jumeaux de kraallijsten en beeldhouwwerk verwijderen en het geheel oppolitoeren.’ En: ‘Een berkenhouten toilettafel de kraallijstjes verwijderen, het spiegelglas opnieuw argenteeren en het geheel oppolitoeren.’ De nieuwe meubels waren ‘Een wit-ijzeren dwars opklapbaar ledikant No. 50’ en ‘ een klapbed met Auping matras’. Voor de slaapkamer van meneer en mevrouw onderging een uit mahonie vervaardigd slaapkamerameublement een zelfde lot: na het verwijderen van al het beeldhouwwerk volgde het oppolitoeren en waar nodig opnieuw stofferen. Tevens paste Pander & Zonen de indeling van een garderobekast aan.

 

 

Betegeling, glas in lood en moderne inrichtingsaspecten

Om met name praktische, hygiënische en esthetische redenen nam het gebruik van tegels in woonhuizen vanaf het einde van de 19de eeuw sterk toe.(6) Door technologische vernieuwingen op het gebied van de tegelproductie gedurende de tweede helft van de 19de eeuw kwamen relatief goedkope en kwalitatief hoogwaardige tegels beschikbaar. Deze tegels konden in grote hoeveelheden en in alle mogelijke kleuren, stijlen, vormen, maten en patronen geleverd worden. Rond 1930 was de voorliefde voor tegels op een hoogtepunt. In De Cranenburgh zijn met uitzondering van slechts enkele vertrekken overal wand- en/of vloertegels toegepast. Bij binnenkomst valt direct de gele tegellambrisering met dubbele zwarte bies en zwarte plint op. Zowel het portaal, de hal, de garderobe als het trappenhuis hebben deze lambrisering. De vestibule en de hal hebben een mozaïekvloer waarin het geel en zwart van de wandbetegeling terugkeert; daarnaast zijn witte tegeltjes en verschillende tinten geelbruin en lilabruin gebruikt. De vestibule met aangrenzend toilet heeft een hoge geheel betegelde nis met een fraai wandfonteintje. De kraanopening van geglazuurd keramiek heeft de vorm van een vissenkop.

 

Twee steektrappen met tussenbordes voeren naar de vijfhoekige hal van de verdieping. Boven de trap bevindt zich een grote lantaarn, met daarin een uit vlakken opgebouwde koepelconstructie gevuld met glas in lood in de kleuren rood, blauw, lichtblauw en oranje. De koepel is opgebouwd uit een opstaande rand met daarboven acht driehoeken, waarvan de toppen bovenin de koepel samenkomen. De afzonderlijke glas-in-loodraampjes hebben weliswaar een eenvoudige geometrische opzet, maar het geheel maakt een monumentale indruk. Door de straling vanuit het middelpunt, de cirkelvormige opzet en de kleurstelling roept de koepel associaties op met de roosvensters uit gotische kathedralen. Rond de hal bevinden zich de zoals overal in het huis vlak afgewerkte deuren naar de verschillende op de verdieping gesitueerde ruimtes. De lange in zuidelijke richting lopende gang waaraan de slaapvertrekken van het gezin lagen heeft een vloer van roodbruine tegels. De wanden hebben een tegellambrisering van licht grijsgroene tegels met een rode lijst. Drie rondbogen geven de gang geleding. Tussen de rondbogen bevinden zich twee daklichten, met daarin glas in lood met een stervormig patroon binnen een rode rand. De badkamer op de begane grond is in blokvorm betegeld met lichtgrijze en zwarte tegels; de wanden en het bad hebben lichtgrijze tegels met zwarte lijsten. Tegen de westelijke wand bevinden zich een vaste wandkast, planken en een badkamerkastje.

 

Waar de woon- en eetkamer een deftiger en ouderwetser uitstraling hebben, vallen de slaapkamers op door het gebruik van frisse kleuren en de zeer praktische en moderne inrichting. De gaaf bewaarde slaapkamer van de dochter Marie-Louise heeft een (uiteraard) betegelde nis met daarin een wastafel met bovenkastje; onder de wastafel is een kastje voor de schoenen aangebracht, met een houten en een betegeld vak. Het bovenkastje met spiegel, waarvan er zich nog een aantal exemplaren in het huis bevinden, is van het merk ‘Belco’ en geleverd door het Duitse sanitairbedrijf Bamberger Leroi & Co uit Frankfurt am Main. Een folder van deze firma, met daarin afbeeldingen en een beschrijving van deze kastjes, is bewaard gebleven. In de muur is een ruimte uitgespaard voor een voor die tijd heel modern opklapbed. Tegen de zuidelijke wand bevindt zich een vaste kast met hang- en leggedeelte, met in het midden een uitschuifbare plank die als bureautje dienst kon doen. Deze kamer was geheel in het rood en blauw uitgevoerd, met oorspronkelijk een rubberen vloer. Nadat mevrouw Van Cranenburgh dergelijke vloeren in de Bijenkorf had gezien, besloot zij dit voor die tijd zeer moderne vloertype voor enkele vertrekken te gebruiken.

 

De bijkeuken heeft dezelfde tegellambrisering als de hoofdkeuken, en een granitovloer. Hier staat een uit de bouwperiode daterende ijskast. De ijskast is uitgevoerd in hout, met aan de binnenzijde een zinken bekleding en bergvakken. Aan de bovenzijde bevindt zich het inlaadpunt voor het ijs; aan de onderzijde heeft de ijskast een kraantje voor het laten afvloeien van het smeltwater. De omvangrijke in beton uitgevoerde kelder heeft een royale stahoogte en bestaat uit een provisiekelder en wijnkelder. In de wijnkelder bevinden zich nog de uit de bouwtijd stammende wijnrekken. Ook de keuken met fraaie schouw is rijkelijk betegeld; de vloer met blauwe tegels, en de wanden met licht grijsgroene tegels met een groene rand. De overgang tussen de wand en vloer is met het oog op het goed kunnen schoonmaken met aan de onderzijde licht gebogen zwarte tegels afgewerkt. Een rechthoek van de keukenvloer is echter niet betegeld; hier is een houten vloertje gelegd. Vroeger stond op deze plek de keukentafel, en het hout moest voorkomen dat de dienstbodes Nella en Berta koude voeten zouden krijgen. Aan alles is gedacht in dit huis.

 

Uit overlevering is bekend dat verschillende vertrekken een uitgesproken kleurstelling hadden; op enkele plaatsen is deze kleurstelling bewaard gebleven. De keuken was met uitzondering van de tegelvloer helemaal groen geschilderd; ook het bewaard gebleven aanrecht is vervaardigd van groenzwart granito. In de dienkamer daarentegen, die als moderne kitchenette was ingericht, overheerste de kleur rood. De lambrisering in gele tegels van de ontvangstruimtes is eveneens opvallend. Mevrouw Van Cranenburgh aarzelde langere tijd tussen een meer traditionele marmeren afwerking en deze modernere betegeling; uiteindelijke koos zij voor de gele tegels.

 

Dat deze zeer bijzondere en in alle opzichten nog zo authentieke villa bewaard is gebleven mag een klein wonder heten. Na het vertrek van de familie uit het huis in 1966 bleek de villa moeilijk verkoopbaar en sloop dreigde. De architect Arthur Staal, een vriend van de familie Van Cranenburgh, ontwikkelde een plan voor het bouwen van 32 maisonnettes op de plek van de villa uit 1929. Hij ontwierp een strak rechthoekig gebouw van vier verdiepingen in de stijl van het nieuwe bouwen. Uiteindelijk ging dit plan niet door, zodat het resultaat van het streven naar het perfecte wonen van de heer en mevrouw Van Cranenburgh en de vruchtbare wisselwerking tussen opdrachtgevers en ontwerpers gelukkig behouden is gebleven.

 

 

Noten

  1. Voor dit huizenportret is gebruik gemaakt van informatie verstrekt door een kleindochter van de familie Van Cranenburgh en van documenten en foto’s uit een privé-archief.
  2. Bericht in De Tijd en De Maasbode, 25-2-1922.
  3. Website van de Stichting Bibliografieën en Oeuvrelijsten Nederlandse Architecten en Stedebouwkundigen (BONAS), oeuvres en biografieënW.J.H. Thunnissen. www.bonas.nl.
  4. E. Blok, Jongere tuinkunst. 1900 – 1940. Tuinen van K.P.C. de Bazel, K.C. van Nes, G. Bleeker, C.A. Cool, J.P. Fokker, Amsterdam 1993.
  5. F. Harm, ‘Architect J. Ph. Peper’, Heerlijkheden, (2010) nr. 143, pp. 32-36.
  6. A. Westra, ‘Bouwmaterialen. Wand- en vloertegels’, in: B. Laan, E. Koldeweij en C.P. Krabbe (red.), Wonen in een monumentaal huis, Amsterdam 2012, pp. 257-269.

 

 

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Archief

Jaarlijks archief

Blijf op de hoogte via e-mail

Vul uw e-mailadres in om bericht te krijgen bij nieuwe blog- en nieuwsberichten op deze website.

Villa De Cranenburgh gezien vanuit het zuidwesten, met in het midden de hoofdingang (foto BMBeeld 2016).

Foto van De Cranenburgh van vlak na de voltooiing van de bouw in 1929. Met op de achtergrond de bomen van de Haarlemmerhout. De terrasmuur in de tuin is al gereed, maar de tuin zelf ligt nog braak (foto uit privé-archief).

Foto van het gezin Van Cranenburgh van rond 1920 (foto uit privé-archief).

Fotoportret van mevrouw Van Cranenburgh. De foto stamt vermoedelijk uit de periode rond 1910 (foto uit privé-archief).

Fotoportret van mevrouw van Cranenburgh-Hermans, die van 1929 tot 1966 in villa De Cranenburgh woonde. De foto stamt vermoedelijk uit het midden van jaren dertig van de vorige eeuw (foto uit privé-archief).

Ontwerptekening uit 1928 door K.C. van Nes van de tuin rond De Cranenburgh (in het midden). Het ontwerp betreft een perceel dat groter is dan het huidige perceel van de villa; ook de grond rondom het reeds bestaande naastgelegen huis linksonder en de garage rechtsboven was bij het plan betrokken. Het huis linksonder werd door Van Cranenburgh als kantoor gebruikt. Een pad verbond de villa direct met het kantoor (tekening uit de collectie van Het Nieuwe Instituut).

Gevelsteen van De Cranenburgh, met kraanvogel en stralende zon.

De woonkamer met erker, gezien richting de omringende tuin (foto BMBeeld 2016).

Uitsnede van een van de bouwtekeningen uit 1928, met daarop de plattegrond van de begane grond (bouwtekening uit privé-archief).

Uitsnede van een van de bouwtekeningen uit 1928, met daarop de plattegrond van de verdieping (bouwtekening uit privé-archief).

Foto van vlak na de bouwtijd van de stookruimte van de villa met de ketels voor de centrale verwarming en het warm water (foto uit privé-archief).

De deur tussen de hal en de woonkamer, gezien vanuit de woonkamer (foto BMBeeld 2016).

Detail van een bewaard gebleven rol behang van de woonkamer van de firma Rath & Doodeheefver, met daarop rechtsonder de vermelding van het merk en staalnummer (foto BMBeeld 2016).

Garderobe, met links het fonteintje en op de achtergrond en deel van de hal en de trap (foto BMBeeld 2016).

Nis met fonteintje in de garderobe (foto BMBeeld 2016).

Glas in lood van de lantaarn boven de trap (foto BMBeeld 2016).

Overzicht van de vijfhoekige hal op de verdieping (foto BMBeeld 2016).

De gang waaraan de slaapkamers van de familie lagen, gezien naar het noorden (foto BMBeeld 2016).

De badkamer op de begane grond (foto BMBeeld 2016).

Nis met wastafel, toiletkastje en bergvak voor de schoenen op de slaapkamer van de dochter (foto BMBeeld 2016).

Uitschuifbare plank in de garderobekast van de slaapkamer van de dochter (foto BMBeeld 2016).

De ijskast de in de bijkeuken (foto BMBeeld 2016).

De wijnkelder (foto BMBeeld 2016).

De keuken met het houten ‘eiland’ voor de voeten (foto BMBeeld 2016).

De keukenschouw (foto BMBeeld 2016).