Huis Rehbock-Janssen

18/10/2016 door Alexander Westra en Esther de Haan

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Handel en filantropie van een nieuwe elite

 

Aan de Gouden Bocht staat op nummer 470 een groot en statig  grachtenhuis van twee percelen breed. Langs dit deel van de Herengracht, tussen de Leidsestraat en de Vijzelstraat, verrezen na het gereedkomen van de Vierde Uitleg vanaf 1668 de meest prestigieuze grachtenhuizen van de Amsterdamse Grachtengordel. Veel van de huizen werden op dubbele kavels gebouwd, resulterend in een brede gevel langs de gracht. De percelen waren hier bovendien dieper dan elders, waardoor er achter de huizen plaats was voor grote tuinen met tuinhuis.

 

Tegenwoordig huist er de Nederlandse vestiging van het Goethe-Institut, een wereldwijd actieve culturele instelling van de Duitse Bondsrepubliek ter bevordering van de Duitse taal en cultuur. Tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw woonden Carl Rehbock en Caroline Janssen hier met hun vijf kinderen. Beiden stamden af van Duitse ouders. Zowel de vader van Carl Rehbock als van Caroline Janssen vestigde zich halverwege de 19de eeuw in Amsterdam om daar fortuin te zoeken; in dit laatste slaagden zij met vlag en wimpel. Als nieuwkomers zochten zij en hun nakomelingen aansluiting bij de hoogste klasse, die gedurende de 19de eeuw nog steeds gedomineerd werd door Amsterdamse families die deels tot het regentenpatriciaat behoorden en in veel gevallen door Willem I in de adelstand waren verheven, en deels afstamden van voorname koopmansgeslachten met veel oud geld.(1)

 

Na het vertrek van de familie Rehbock uit het grachtenhuis in 1939 onderging het interieur in het kader van opeenvolgende kantoorfuncties diverse aanpassingen en moderniseringen, waarbij een deel van de vooroorlogse interieurafwerking verdwenen is; in een aantal vertrekken is deze echter voor een belangrijk deel  behouden gebleven. Daarnaast is binnen de familie Rehbock een boek met historische foto’s van het huis en het interieur bewaard. Dit fotoboek is gemaakt bij het afscheid van het huis door de mevrouw Rehbock-Janssen in 1938, ter herinnering aan dertig jaar bewoning van de Herengracht door de familie. Het bewaard gebleven interieur en de vooroorlogse foto’s vormen het decor voor het verhaal van het echtpaar Rehbock-Janssen, dat als nieuwe elite op de meest prestigieuze plek van de Amsterdamse binnenstad ging wonen.

 

Geschiedenis van het huis

Het grachtenhuis op nummer 470 is in 1669 samen met nummer 468 gebouwd.(2) Op de aangrenzende percelen aan de achterzijde (Keizersgracht) liet de toenmalige eigenaar tevens twee bijbehorende woningen en een koetshuis met stallen, een bakhuis en een washuis bouwen. De huizen hadden oorspronkelijk identieke voorgevels, met een gedeelde middenrisaliet van zes vensterassen. Door latere verbouwingen is deze eenheid deels verloren gegaan; de gevel van nummer 470 heeft in tegenstelling tot nummer 468 de oorspronkelijke risaliet behouden. Tegen het einde van de 18de eeuw zijn beide huizen verhoogd met een verdieping. Nummer 470 kreeg waarschijnlijk in het eerste kwart van de 19de eeuw de huidige gelaagde hardstenen onderpui en entreeomlijsting met stoeppalen; de huidige lijstgevel stamt eveneens uit deze periode.

 

In 1870 erfde Cornelia Henriette Van Lennep (1821-1902) het pand uit de nalatenschap van haar man, Henri Matthieu Labouchere (1807-1869). In 1893 kocht de koopman Jacob Adriaan Cornelis Van Leeuwen (1821-1903) Herengracht 470 van Cornelia Van Lennep. Peter Wilhelm Janssen (1821-1903) kocht het huis in 1900 voor 80.000 gulden voor zijn dochter Caroline Rehbock-Janssen en zijn schoonzoon de koopman Carl Rehbock. Ook het belendende pand 472 werd overigens  door Janssen gekocht. Janssens’ oudste zoon zou op nr. 472 kantoor gaan houden. Janssen was een schatrijke handelsman en filantroop die samen met Jacob Nienhuys in 1869 de oprichter was van de Deli Maatschappij. Beide heren behoorden eind 19de eeuw tot de rijksten van Amsterdam. Het echtpaar Rehbock-Jansen betrok Herengracht 470 in 1905.

 

Het bewaard gebleven historische interieur op de begane grond en de eerste verdieping  dateert, gezien de rijkelijke toepassing van neostijlen, voornamelijk uit de laatste decennia van de 19de eeuw. Dit interieur is hetzij in opdracht van Henri Labouchere, hetzij in opdracht van Jacob van Leeuwen uitgevoerd. Van deze verbouwing zijn helaas geen tekeningen of andere gegevens bewaard gebleven. De familie Rehbock heeft weliswaar kleine aanpassingen aan het huis verricht, maar heeft het interieur zoals zij dat in de verschillende vertrekken aantrof grotendeels ongewijzigd gelaten. De familie heeft in 1914 wel een geheel nieuwe tuin aangelegd over de volledige breedte van Herengracht 470 en 472. Ofschoon deze tuinaanleg is verdwenen, geeft een aantal foto’s uit het familiearchief, gemaakt rond 1915, een prachtig beeld van de aanleg van deze tuin.

In 1938 overleed Carl Rehbock en na meer dan dertig jaar op Herengracht 470 te hebben gewoond verliet zijn vrouw in 1939 het huis en nam haar intrek in de Oranje Nassaulaan 43 in Amsterdam Zuid, waar zij in 1951 overleed.

 

De eerste bekende bouwtekeningen van het huis stammen uit 1941, toen de weduwe C. Rehbock-Janssen opdracht gaf voor een verbouwing in het kader van de kantoorfunctie van het pand.(3) Het grachtenhuis had toen reeds een kantoorfunctie, en ging dat jaar dienst doen als kantoor voor de afdeling Confectie van het Rijkstextielbureau. Met het oog op de naderende oorlogsdreiging richtte de overheid in 1939 een aantal bureaus op die tot taak hadden voor schaarse grondstoffen en goederen de beschikbaarheid ervan voor bedrijven en burgers te garanderen en een rechtvaardig  distributiesysteem tot stand te brengen. Grondstoffen voor de textielindustrie en textielproducten werden gedurende de Tweede Wereldoorlog steeds schaarser, mede door het feit dat de bezetter een belangrijk deel hiervan opeiste voor de Duitse Wehrmacht.

 

In 1950, een jaar voor haar dood, verkocht Caroline Rehbock-Janssen het pand aan de  N.V. Rubber Cultuur Maatschappij ‘Amsterdam’, die zich toen in het pand vestigde. In 1970 verwierf de Bondsrepubliek Duitsland het pand, dat sindsdien onderdak biedt aan het Goethe-Institut.

 

Indeling

Het grachtenhuis bestaat uit een begane grond, een hoog opgetrokken eerste verdieping, een tweede en een derde verdieping en een zolder. Aan de voorzijde (de noordkant) bevindt zich de kelder. Het huis heeft een tweebeukige opzet, met in de linker beuk het merendeel van de woonruimtes en in de rechter beuk het trappenhuis, de verkeersruimtes en enkele kleinere vertrekken. Aan de westelijke zijde is in het midden ten behoeve van de lichttoetreding een binnenplaats uitgespaard. Op de begane grond vinden we aaneengeschakeld de centraal geplaatste entreeruimte, hal en gang naar de tuin; samen vormen deze vertrekken een noord-zuidelijke zichtas. Ten westen van de hal bevindt zich het trappenhuis.Volgens de familieoverlevering deden de woonvertrekken in de linker beuk dienst als verblijfsruimte voor de heer des huizes, Carl Rehbock; hij had hier aan de straatzijde een werkkamer en aan de tuinzijde een slaapkamer. De keuken bevond zich aan de tuinzijde van de rechter beuk.

 

De eerste verdieping heeft eveneens een centraal geplaatste hal. In de linker beuk vinden we aan de grachtzijde de vroegere salon, en aan de tuinzijde de eet- en muziekkamer. De salon werd slechts sporadisch voor representatieve doeleinden gebruikt zoals officiële ontvangsten en feesten. De eet-en muziekkamer vervulde echter een belangrijke rol in het gezinsleven van de familie; er stond een vleugel opgesteld en er werd veelvuldig gemusiceerd. Het andere vertrek aan de grachtzijde deed dienst als woonkamer. Deze kamer werd intensief door de familie gebruikt en had een intiem karakter met een zitje van fauteuils en de familieportretten aan de muren. De aan de tuinzijde gelegen kamer rechtsachter was het domein van mevrouw Rehbock-Janssen; zij had hier haar boudoir met een eigen bureau en zitje. De tweede en derde verdieping hebben een opzet vergelijkbaar met die van de eerste. De vooroorlogse functies van de vertrekken zijn niet precies bekend. Op de tweede verdieping bevond zich de  badkamer; de overige vertrekken deden, mede gezien de vijf kinderen, ongetwijfeld dienst als slaapkamer. Op de derde verdieping bevonden zich waarschijnlijk eveneens slaapkamers en ruimtes voor het dienstpersoneel.

 

Handelaren in koffie en tabak

Gedurende de tweede helft van de 19de eeuw immigreerden veel Duitse kooplieden en handelaren naar Amsterdam. In tegenstelling tot veel Duitse steden heerste in Amsterdam een open handels-en vestigingsklimaat, bij uitstek geschikt voor mensen die hogerop wilden. Veel Duitse handelaren waren kundige zakenmannen die hun goedlopende zaken uitbreidden naar Nederland of met Duits geld in Amsterdam ondernemingen oprichtten. Dat een meerderheid van hen van zins was zich hier permanent te vestigen blijkt uit het feit dat velen zich tot Nederlander lieten naturaliseren. Opvallend is dat huwelijken tussen Duitse immigranten en het Amsterdams patriciaat veelal uitbleven; men trouwde in eigen kring met leden van andere Duitse families die ook in Amsterdam woonden. Ook de tweede en derde generatie hier geboren Duitsers zijn niet terug te vinden in het Nederlands patriciaat, waaruit afgeleid kan worden dat de Duitse kooplieden, enkele uitzonderingen daargelaten, niet wisten door te dringen tot de Amsterdamse coterieën en in zekere zin buitenstaanders bleven. Er heerste dan ook, wellicht ingegeven door afgunst op Duitse zakelijke successen, een zekere anti-Duitse stemming in de hogere kringen van Amsterdam.

 

Zowel Carl Rehbock als zijn echtgenote Caroline Rehbock-Janssen stamde af van handelaren in koloniale producten, koffie en tabak, die in de 19de eeuw schatrijk waren geworden door hun plantages op Sumatra in Nederlands Indië. De vader van Carl Rehbock, Alexander Rehbock (1829-1914) was zoon van een koffiehandelaar geboren in Frankfurt wiens familie fortuin op de koffieplantages van Sumatra had vergaard. De Frankfurter koffiehandel Hofmann van de familie Rehbock was in 1798 opgericht en uitgegroeid tot een van de grootste koffiehandelaren in Midden- en Zuid-Duitsland. In 1838 opende het Amsterdamse kantoor van deze Duitse firma, hetgeen ongetwijfeld verband hield met het levendige klimaat in de hoofdstad; de wereldhandel in koffie, tabak en cacao speelde zich in die jaren aan de Amsterdamse beurs af. Alexander Rehbock kwam als 21-jarige handelsreiziger in 1849 vanuit Duitsland naar Amsterdam zo vermeldt  het vreemdelingenregister van de gemeente Amsterdam waarin zijn gegevens zijn opgenomen. Hij verbleef de eerste jaren in Amsterdam ‘op kamers’ in verschillende huizen. Na enkele jaren heen en weer gereisd te hebben tussen Nederland en Duitsland schreef hij zich in 1861 definitief in Amsterdam in en ging wonen op Rokin 162. Alexander Rehbock streek hoogstwaarschijnlijk in Amsterdam neer om in de Nederlandse vestiging van het familiebedrijf te gaan werken. In 1873 trouwde hij met Emma Schoffer, de dochter van C. Schoffer, directeur van de Amsterdamse vestiging van de firma Hofmann. Het echtpaar betrok de Herengracht 282 en kreeg drie kinderen; (Heinrich) Carl Rehbock (1865-1938) was een van hen.

 

Carl Rehbock trouwde in 1891 met Caroline Janssen, een dochter van tabakshandelaar Peter Wilhelm Janssen. Peter Wilhelm Janssen (1821-1903), een tot Nederlander genaturaliseerde Duitser, was een schatrijke handelsman en filantroop. De Deli Maatschappij was een Nederlands bedrijf dat zich richtte op de tabakshandel in de kolonie Nederlands-Indië. In de 19de eeuw exploiteerde de Deli Maatschappij meer dan 120.000 hectare tabaksplantages in Deli, in het noorden van Sumatra.(4) Belangrijkste aandeelhouder van de Deli Maatschappij was de Nederlandse Handelsmaatschappij, de opvolger van de VOC, die zich in de 19de eeuw bezig hield met de handel in koloniale waren en voor de helft in de Deli Maatschappij participeerde.

 

Janssen, die zelf nooit in Nederlands-Indië is geweest, zorgde voor de tabaksverkoop vanuit Amsterdam terwijl zijn partner Nienhuys de plantages ter plaatse bestuurde. Terwijl Jacob Nienhuys in 1870 de Sumatraanse oostkust moest verlaten om een aanklacht voor het doodgeselen van zeven koelies te ontlopen en de Deli Maatschappij verliet, bleef Janssen als commissaris tot zijn pensioen in 1898 aan de Deli maatschappij verbonden. Janssen heeft, zich bewust van de tol die de  Sumatraanse bevolking had betaald voor zijn rijkdommen, gedurende zijn leven ingespannen voor de oprichting en ondersteuning van vele goede doelen.

 

Carl Rehbock en Caroline Rehbock-Janssen gingen na hun huwelijk wonen op Herengracht 494 op de hoek van de Vijzelstraat, eigendom van zijn schoonvader Janssen. Begin 20ste eeuw bestempelde de gemeente Amsterdam het huizenblok Herengracht 490-496 echter als de locatie voor het nieuw te bouwen kantoor van de Nederlandse Handelsmaatschappij, het gebouw dat in de periode 1919-1926 door architect Karel De Bazel (1869-1923) zou worden gebouwd. Vooruitlopend op de bouwplannen werd Herengracht 494 samen met de drie omringende panden door de gemeente onteigend en in 1917 afgebroken. Omdat de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) voor de helft eigenaar was van de Deli Maatschappij werd er vanwege gezamenlijke handelsbelangen een aanzienlijk bedrag door de NHM voor het onteigende pand aan de familie betaald. Met dit bedrag kocht de vader van Janssen vervolgens Herengracht 470 voor zijn dochter en haar man.

 

Het interieur

In de tweede helft van de 19de eeuw vindt de opkomst van de neostijlen plaats. Met name de welgestelde klasse voelde zich tot deze stijlen aangetrokken. Zij wilde een woning met een vorstelijke uitstraling die wat stijl en inrichting betreft verwees naar de 16de, 17de en 18de eeuw. Het uiterlijk van een gebouw of vertrek moest de bestemming ervan weerspiegelen. Dit leidde ertoe dat de afwerking van een kamer gekoppeld was aan de functie ervan en dat iedere kamer een eigen stijl kreeg. Eet- en studeerkamers kregen vaak een neorenaissance stijl, terwijl ontvangstvertrekken en boudoirs dan in een Lodewijk XV of XVI stijl werden uitgevoerd. In veel gevallen was sprake van een eclectische stijl, waarbij elementen van verschillende historische stijlen gecombineerd werden. De bewaard gebleven historische interieurs op de eerste verdieping  van de Herengracht 470 spreken wat dit betreft boekdelen.

 

In het geval van bestaande huizen kon dit betekenen dat het oudere interieur, ingegeven door persoonlijk smaak en de mode en mede bepaald door de staat van het oudere interieur, geheel of gedeeltelijk vernieuwd werd. Bijzondere elementen zoals schouwen en beeldhouwwerk en fraaie betimmeringen, schilderingen en stucwerk werden soms gehandhaafd. Tevens konden uit andere huizen afkomstige interieuronderdelen gebruikt worden.

 

De salon is  hoofdzakelijk in Lodewijk XVI-stijl uitgevoerd, met sierlijke en verfijnde ornamenten en respect voor de symmetrie. Op het stucplafond zijn in lichte kleuren bloemslingers en bloeiende ranken geschilderd. Het geheel maakt een indruk van lichtheid en elegantie, zonder wild te willen zijn. Door de tot bijna op de plint doorlopende ramen valt er veel daglicht binnen.

 

De eet- en muziekkamer daarentegen ademt door de overvloedige betimmering in donker hout en strakkere classicistische ornamentiek een andere sfeer. Dit vertrek heeft een hoge houten lambrisering. De vlakken voor de wandbespanning zijn afgezet met brede houten lijsten en de ronde koof is eveneens betimmerd. Het stucplafond wordt door brede houten lijsten in geometrische vakken verdeeld en heeft op de lichtpunten sierlijke houten ornamenten. De parketvloer is met zijn diagonale en geometrische opzet door het gebruik van lichtere en donkerder tinten eveneens van hoge kwaliteit.

 

De rijkelijk geornamenteerde kachel die voor de tegen de oostelijke wand geplaatste schouw staat verwijst naar de bewoners die hier in 1905 gingen wonen. In de linker en rechter bovenhoek van de afsluitplaat zijn binnen een hartvorm de met elkaar verstrengelde letters ‘J’ en ‘R’ opgenomen; dit als verwijzing naar het echtpaar Rehbock-Janssen.

 

De vroegere woonkamer aan de straatzijde heeft wat de betimmering betreft neorenaissance kenmerken, terwijl het stucplafond daarentegen van een mengeling van neobarok en de Lodewijk XVI-stijl getuigt. Het plafond bevat fraaie florale decoraties in pasteltinten; de wijze van afbeelden van de bloemen in de buitenste rand getuigt van enige invloed van de Art Nouveau. Tegen de westelijke wand is een monumentale schouw geplaatst. De gedecoreerde schouwbalk wordt ondersteund door composiete zuilen vervaardigd van groen en wit marmer. Op de schouwboezem bevindt zich een hoge spiegel, afgezet met een houten lijst en bekroond met een hoofdgestel dat aansluit op het plafond. In het fries zijn trigliefen aangebracht.

 

In de 17de en 18de eeuw werden stucplafonds in de meeste gevallen wit geschilderd met witkalk of kalkmelk.(5) Dit gaf de plafonds een uitzonderlijk wit oppervlak en een tamelijk mat uiterlijk. Ook werden plafonds soms kleurig beschilderd, maar dit gebeurde bij uitzondering en voornamelijk in zeer bijzondere gebouwen en woonhuizen. In de tweede helft van de 19de eeuw en doorlopend tot in het eerste decennium van de twintigste eeuw werd het steeds gebruikelijker stucplafonds polychroom te decoreren.(6) Plafonds werden vaak zeer uitbundig beschilderd in verschillende kleuren. De opkomst van het gekleurde stucplafond hangt samen met die van de neo-stijlen. Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw werden de plafonds steeds kleuriger en donkerder. Rond 1900 verkoos men doorgaans nog steeds een polychrome afwerking, hoewel er een voorkeur voor lichtere kleurstellingen ontstond. De plafonds op de eerste verdieping van de Herengracht 470 zijn sprekende voorbeelden van deze ontwikkeling.

 

De bewaard gebleven vooroorlogse foto’s van het interieur geven een goed beeld van de inrichting van het huis ten tijde van de Rehbocks, zowel wat betreft stoffering, meubilering, verlichting, decoratie en kunstvoorwerpen. Het interieur van het boudoir van mevrouw Rehbock is na 1939 verdwenen, maar de foto’s geven een mooi tijdsbeeld van de afwerking en inrichting van dit vertrek, dat door de familie de ‘Russische kamer’ genoemd werd. De betimmering van dit vertrek is in neogotische stijl uitgevoerd. De schouw is betegeld met Art Nouveau tegels.

 

De lambrisering van het tochtportaal en de hal op de begane grond bestaat uit tegeltableaus in de kleuren lichtgrijs en groen met classicistische motieven. In de hal is tegen de oostelijke wand een houten bank geplaatst; boven de bank  bevinden zich twee klassiek omtimmerde binnenvensters met in de ramen geëtst glas; dit met het oog op de lichttoetreding voor de naastgelegen vertrekken. De afwerking van het tochtportaal en de hal stamt uit het laatste kwart van de 19de eeuw.

 

De hal met het aansluitende trappenhuis op de eerste verdieping is monumentaal qua karakter. De hoge boogvensters  grenzend aan de binnenplaats bevatten fraai geëtst glas. Boven de deuren zijn elegante stucornamenten aangebracht, die ten tijde van de bewoning door de Rehbocks beschilderd waren. Het stucplafond heeft een rozet in Lodewijk XVI-stijl. De trap met tussenbordessen is sierlijk vormgegeven en heeft houten afgeplatte balusters; deze trap stamt waarschijnlijk nog van voor de verbouwing uit het laatste kwart van de 19de eeuw.

 

Sociaal en cultureel leven

Onder leiding van Carl Rehbock groeide de koffie fa. Hofmann, Schoffer & Co uit tot een van de bekendste en grootste koffiehandelaren in Amsterdam. Carl Rehbock had daarnaast talloze commissariaatsfuncties in bedrijven die met de Nederlandse koloniën handeldreven: o.a. NV Sumatra- Rubber -Cultuur-Maatschappij, de NV Cultuur Maatschappij ‘Rantja Bolang’ en ‘Sedep’ en de NV Molukse Handels-Vennootschap. Behalve zakelijke functies bekleedde Carl Rehbock tal van bestuursfuncties in verenigingen op cultureel gebied. Caroline moedigde haar man aan een leidende rol te spelen in het Amsterdamse culturele leven.(7)

 

Enerzijds speelde de wens door de Amsterdammers gezien te worden daarbij een rol van betekenis. Kooplieden van Duitse komaf zoals Carl Rehbock werden immers moeilijk geaccepteerd in de Amsterdamse coterie. Het echtpaar leefde dan ook ingetogen en lieten de grote staat waarin zij leefden niet zien. Door veel bij te dragen aan het bestuur van grote Amsterdamse sociale en culturele projecten probeerde het gezin geaccepteerd te worden door de Amsterdamse elite. Carl Rehbock zat in het bestuur van Artis, was ondervoorzitter van de Vereniging Natuurmonumenten, bestuurslid van het Scheepvaartmuseum, medeoprichter van het Koloniaal Instituut, voorzitter van de Vereniging tot instandhouding van het Concertgebouw en de Vereniging voor Ziekenverpleging op de Prinsengracht.

 

Anderzijds waren zowel Carl Rehbock als Caroline Rehbock-Janssen zich sterk bewust van de omstreden achtergrond van hun beider familiekapitaal, verdiend door de uitbuiting van de lokale bevolking op de tabaks-en koffieplantages op Sumatra. Hun rol als weldoeners leverde enige verlichting voor deze beladen geschiedenis op.

 

Het echtpaar investeerde daarom een deel van het familiekapitaal van beide families in goede doelen. Zo kon het Naardermeer in 1905 door Natuurmonumenten worden aangeschaft doordat het echtpaar Rehbock-Janssen de familie een groot aantal van de uitgegeven obligaties kocht. Ook werden zij aandeelhouder van het toen nog jonge en noodlijdende Concertgebouw. Het echtpaar was eveneens sterk betrokken bij een aantal kunstschilders uit die tijd en onderhield banden met onder andere Piet Mondriaan, Theo van Doesburg en Oscar Mendlik, van wie zij verschillende werken kochten. Ook onderhield het echtpaar betrekkingen met de portretschilderes Thérèse Schwarze (1851-1918) die eind 19de eeuw was uitgegroeid tot dé society schilderes van Amsterdam. Zij maakte meer dan duizend portretten van leden van de ‘fine fleur’ van Amsterdam en ook verschillende leden van de familie Rehbock werden door haar geportretteerd.(8) Op de foto’s uit het familiealbum is te zien dat enkele van deze portretten in de woonkamer hingen, net als een zeegezicht van Oscar Mendlik dat boven de vleugel in de eet-en muziekkamer prijkte.

 

Een decoratieve tuin

Aan het begin van de 20ste eeuw werd de nabijheid van natuur in de eigen leefomgeving van wezenlijk belang geacht, zowel bij de oude Amsterdamse families als bij de nieuwkomers. In overeenstemming met de tijdgeest legde de familie Rehbock in 1914 nieuwe tuinen over de volle breedte van de twee grachtenpanden aan. Het is niet bekend wie de tuinen voor de familie heeft ontworpen; ook zijn er geen ontwerpschetsen of beplantingsplannen overgeleverd.

 

De tuinen zijn aangelegd volgens de decoratieve tuinstijl die in Nederland in het begin van de 20ste eeuw veel navolging vond bij huiseigenaren.(9) Het waren tuinen met een besloten karakter die door de aanleg van verschillende assen van geplaveide paden langs langwerpige strak omlijnde grasparterres werden ingekaderd. Op de foto’s zien we duidelijk de schelpen- of grindpaden die de gazons begrenzen. Vaste plantenborders werden vaak aan de voet van de begrenzingen gesitueerd en op de foto’s zijn de borders van net geplante rozenstruikjes en heesters op stam aan de randen van de gazons goed te zien. Bouwkundige elementen waren populair in dit type tuin: het kunstig prieel met aan weerskanten pergola’s met lattenwerk over de hele diepte van de tuin, doet denken aan een Chinese pagode. De zithoek met rieten stoelen en het speelhuisje voor de kinderen gaven het ongedwongen karakter van de tuin weer waarin genoten kon worden van de eigen lusthof midden in Amsterdam.

 

Binnen enkele generaties hadden Duitse handelsfamilies die naar Amsterdam emigreerden zich een vooraanstaande plaats weten te verwerven aan de grachten van de hoofdstad. Ofschoon zij niet volledig deel gingen uitmaken van de al bestaande coterieën van oude adel en regentenpatriciaat speelden zij een cruciale rol in de ontwikkeling van Amsterdam tot een wereldhandelsstad, een bijdrage waar de nieuwe elite trots op kon zijn.

 

Noten

1. K. Bruin, Een herenwereld ontleed. Over Amsterdamse oude en nieuwe elites in de tweede helft van de negentiende eeuw, Amsterdam 1980.

2. Historische gegevens met betrekking tot de geschiedenis van het pand werden onder meer ontleend aan: Grachtenboek. Naar de oorspronkelijke tekeningen van Caspar Philips Jacobszoon te Amsterdam. Met geschied- bouwkundige beschrijvingen door E. van Houten, Amsterdam 1962; Vier eeuwen Herengracht, geveltekeningen van alle huizen aan de gracht en twee historische overzichten en de beschrijving van elk pand met zijn eigenaars en bewoners, Amsterdam 1976, pp. 562-564; het Stadsarchief Amsterdam: Archiefkaarten, Gezinskaarten, Woningkaarten en Adresboeken

3. BWT-archief van de Gemeente Amsterdam, Stadsdeel Centrum.

4. De N.V. Delimaatschappij bestaat nog steeds en richt zich tegenwoordig op de handel in hout en bouwmaterialen; zie www.deli.nl.

5. A. Westra, ‘Bouwmaterialen. Stucornamenten en lijstwerk, in: B. Laan, E. Koldeweij en C.P. Krabbe (red.), Wonen in een monumentaal huis, Amsterdam 2012, pp. 287-302.

6. E. Koldeweij, M. van Hunen en T. Hermans (red.), Stuc. Kunst en techniek, Zwolle 2010.

7. Historische gegevens met betrekking tot de bewoningsgeschiedenis van Herengracht 470 door de familie Rehbock werden ontleend aan gesprekken met de heer F. Rehbock op 12 september 2016.

8. W. van Lith en I. Montijn, Thérèse Schwarze (1851-1918). De Nederlandse fine fleur geportretteerd, Zwolle 2011.

9. C.S Oldenburger-Ebbers introduceert de term decoratieve tuinstijl voor dit type tuinaanleg in haar artikel ‘Jongere Tuinkunst, Nederlandse Tuin-en Landschapsarchitecten en hun werk in de periode 1870-1940’, Groen 41 (1985), pp. 13-16.

deel Deel op Facebook Deel op Twitter Deel op LinkedIn Deel via e-mail

Archief

Jaarlijks archief

Blijf op de hoogte via e-mail

Vul uw e-mailadres in om bericht te krijgen bij nieuwe blog- en nieuwsberichten op deze website.

Herengracht 470 (foto BMBeeld 2016).

De Herengracht 468 (rechts) en 470 (links), op een tekening van C. Dankerts van rond 1700. Beide huizen hadden toen nog identieke gevels (Stadsarchief Amsterdam, Beeldbank).

Foto uit 1938 van de Herengracht 470, ten tijde van de bewoning door de familie Rehbock (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

Plattegrond begane grond, op basis van de bestaande situatie in 1941. In de legenda staan, voor zover bekend, de functies van de ruimtes ten tijde van de bewoning door de familie Rehbock vermeld.

Legenda: 1. Vestibule; 2. Werkkamer van de heer Rehbock; 3. Onbekend, waarschijnlijk dienstruimte; 4. Onbekend, waarschijnlijk dienstruimte; 5. Slaapkamer van de heer Rehbock; 6. Hal en trappenhuis; 7. Overdekte binnenplaats; 8. Toilet; 9. Zitkamer van de heer Rehbock; 10. Gang naar de tuin; 11. Keuken

Plattegrond eerste verdieping, op basis van de bestaande situatie in 1941. In de legenda staan, voor zover bekend, de functies van de ruimtes ten tijde van de bewoning door de familie Rehbock vermeld.

Legenda: 1. Hal en trappenhuis; 2. Salon; 3. Zitkamer; 4. Binnenplaats; 5. Eet- en muziekkamer; 6. Boudoir van mevrouw Rehbock.

Fotoportret van Heinrich Carl Rehbock, gemaakt rond 1911 (foto gevonden op de website www.antiqbook.nl/boox/kul/37532.html).

Uitsnede van een foto uit circa 1915, met Caroline Rehbock-Janssen staande in  in de tuin (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

De salon op de eerste verdieping (foto BMBeeld 2016).

De salon ten tijde van de bewoning door de familie Rehbock (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

Het beschilderde stucplafond van de salon (foto BMBeeld 2016).

De eet- en muziekkamer. De suitedeuren geven toegang tot de aan de gracht gelegen salon (foto BMBeeld 2016).

De eet- en muziekkamer in 1938 (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

Het plafond van de eet- en muziekkamer. Op de vier hoeken en in het midden bevinden zich de lichtpunten (foto BMBeeld 2016).

De eet- en muziekkamer ten tijde van de bewoning door de familie Rehbock, met feestelijk aangeklede en uitgeschoven eettafel (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

De schouw met voorzetkachel in de eet- en muziekkamer (foto BMBeeld 2016).

De in een hartvorm opgenomen verstrengelde letters J en R in de versiering van de voorzetkachel (foto BMBeeld 2016).

Detail van de parketvloer in de eet- en muziekkamer (foto BMBeeld 2016).

Vooroorlogse foto van de eet- en muziekkamer, met daarop de vleugel en een zeegezicht van Oscar Mendlik zichtbaar (foto’s uit privé-archief van de familie Rehbock).

De woonkamer op de eerste verdieping, met in het midden de schouw (foto BMBeeld 2016).

Foto van de woonkamer uit 1938. Aan de muur aan weerszijden van de haard portretten van Alexander Rehbock en zijn vrouw Emma Rehbock-Schoffer, geschilderd door Therese Schwarze (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

De deur tussen de woonkamer en de salon, gezien vanuit de woonkamer (foto BMBeeld 2016).

Detail van de betegeling rond de schouw van de woonkamer (foto BMBeeld 2016).

Detail van het beschilderde stucplafond van de woonkamer (foto BMBeeld 2016).

Detail van het stucplafond met middenstuk in de woonkamer (foto BMBeeld 2016).

Foto uit 1938 van het boudoir van Caroline Janssen-Rehbock, gelegen op de eerste verdieping aan de tuinzijde van het huis. Deze kamer had de bijnaam ‘Russiche kamer’. De betimmering is in neogothische stijl uitgevoerd. Het historische interieur van deze kamer bestaat niet meer  (foto’s uit privé-archief van de familie Rehbock).

De hal met trappenhuis op de eerste verdieping, grenzend aan de binnenplaats (foto BMBeeld 2016).

Detail van de beglazing tussen de hal en de binnenplaats op de eerste verdieping (foto BMBeeld 2016).

De hal op de begane grond, gezien naar het oosten (foto BMBeeld 2016).

Tuin met pergola met lattenwerk en plantenborders aan weerzijden van de schelpenpaden en een van de kinderen Rehbock met parasol. De foto stamt van rond 1915 (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).

Caroline Rehbock-Janssen in de tuin. Op de foto is te zien dat de tuinen achter nummer 470 en 472 een geheel vormden. De foto stamt van rond 1915 (foto uit privé-archief van de familie Rehbock).